Ingenieursbladen

De twee grote ingenieurstijdschriften van Nederland zijn moeilijk met elkaar te vergelijken. Om te beginnen zijn ze van verschillend formaat. PT weekblad (oplage 80.000) is op kranteformaat, de Ingenieurskrant (oplage 60.000) is daar de helft van, maar heeft nietjes in zijn rug, glanspapier en kleurplaten. Belangrijker is de frequentie: PT weekblad is een weekblad, de Ingenieurskrant verschijnt een keer per veertien dagen. Nog een verschil: de Ingenieurskrant is nauw verbonden met de twee ingenieursverenigingen in ons land (het KIvI voor TH-ingenieurs, de NIRIA voor HTS-ing's), PT weekblad is onverzuild.

In beide bladen worden technische nieuwtjes en achtergrondverhalen gebracht, nieuwe produkten gesignaleerd en overzichten gegeven van lezingen, cursussen en seminars. De 1 oktober-nummers van beide bladen vertonen geen enkele doublure. Er is geen nieuws dat in beide bladen is terug te vinden en ook in de keuze van de achtergrondverhalen vertonen de redacties geen overeenstemming. Leuk voor dubbellezers, zullen we maar zeggen.

PT-weekblad verschijnt vaker, heeft een kortere produktietijd en kan zich dus wat newsier opstellen dan zijn concurrent, die meer kiest voor fraaie kleurenillustraties en achtergrondverhalen. Beide bladen zijn natuurlijk vooral advertentiefuiken. Van de zestien pagina's van PT weekbladis de helft (personeels-) advertenties, bij de Ingenieurskrant zijn van de 40 pagina's 16 gevuld met advertenties.

PT weekblad opent met de ernstige milieuverontreiniging in Tsjechoslowakije en meldt daaronder dat de meeste Nederlandse bedrijven zich heel weinig aan het openbaar vervoer gelegen laten liggen twee van de drie bedrijven ligt op meer dan tweeenhalve kilometer van een NS-station.

Nederlandse ingenieursdiploma's zullen na 1992 weinig waard zijn, meldt PT weekblad in een kort berichtje. De Europese ingenieursfederatie gaat na 1992 de ingenieurs in vier categorieen indelen en pas als de Nederlanders een post-doctorale opleiding gaan instellen kunnen ze weer wat in de rangorde klimmen.

Verder op de voorpagina: het Philips Natlab heeft een methode ontwikkeld voor het beter voorspellen van de supergeleidende eigenschappen van keramische materialen en in Maastricht wordt de riolering gerenoveerd zonder dat er gegraven wordt. Op de tweede pagina zorgt de rubriek 'Mensen en Zaken' ervoor dat de lezer niet vergeet dat hij in een doelgroepblad zit te kijken. De opgewekte pasfoto's van recent getransfereerde managers zetten de buitenstaander aan tot snel doorbladeren.

Het tweede katern van PT weekblad opent meestal met een achtergrondverhaal, deze keer gaat het over gluten: de eiwitconglomeraten in tarwemeel. Behalve voor de bereiding van brood, schijnen ze ook voor de fabricage van boterhamzakjes geschikt te zijn. Het nieuws wordt helder en beknopt gebracht, de achtergrondverhalen zijn degelijk.

De Ingenieurskrant opent met een artikel over industriele automatisering waarin nog eens wordt gemeld dat Nederland hierin niet vooroploopt. De coverstory is een artikel over supervezels (Twaron, Kevlar, Dyneema). Vooral de geschiedenis van het onderzoek naar supervezels komt aan bod. Behalve Dupont, Akzo en DSM hebben vrijwel alle chemische concerns zich daarmee beziggehouden. Een onderzoeker van de Rijksuniversiteit Groningen toont de verslaggever van de Ingenieurskrant een touwtje van een Russische supervezel die nog sterker is dan de Kevlar van Dupont.

Verder in deze Ingenieurskrant een goed artikel over zonneboilers. TNO heeft in een recent rapport weinig heel gelaten van de verkrijgbare apparatuur. Bijna de helft van de geteste systemen werd getroffen door een storing en de besparingen die mogelijk waren bleven achter bij de verwachtingen. Met het beste systeem was een besparing van 40% op het energieverbruik voor warm tapwater mogelijk, en zelfs dat was een tegenvaller: de fabrikant had steeds van 50% gesproken.

In de Ingenieurskrant ligt het accent op de langere stukken. Een half jaar geleden leek de krant geheel in management-sferen te zijn verdwaald, maar de laatse maanden heeft de redactie het technische pad gelukkig weer teruggevonden. Hoewel een ingenieurstitel het lezen van beide bladen wel een stuk goedkoper maakt, is die niet nodig voor het begrijpen van de inhoud. Elke leek met belangstelling voor techniek zal er weinig moeite mee hebben. Minpunt in beide bladen zijn de illustraties. Technische tekeningen komen niet voor, en vooral de redactie van PT weekblad heeft een voorkeur voor de nietszeggende sfeerfoto met gezocht bijschrift.

Dieper in de techniek gaan de maandbladen die de twee concurrenten in de ingenieurspers bieden. De uitgever van PT weekblad brengt het Polytechnisch Tijdschrift op de markt, de uitgever van de Ingenieurskrant het vergelijkbare I. Beide maandbladen werken met drie edities: een kern van algemene technische informatie, daarnaast een per editie verschillende accentuering van werktuigbouw, elektrotechniek of procestechniek. I oogt specialistischer en spreekt rechtstreeks tot de vakman in de tekenkamer. Het Polytechnisch Tijdschrift is fraaier vormgegeven, heeft kleurenplaten en spreekt een breder publiek aan.

Naast deze twee vakbladen is er natuurlijk ook nog het aloude 'De Ingenieur' (jaargang 102), dat aan alle KIvI-leden wordt toegezonden. De Ingenieur stelt zich niet specialistisch op, heeft soms aardige artikelen, maar ziet er zo langzamerhand wat ouderwets uit.