Grote grazers maken niet in vijf jaar een natuurlijkparadijsje

Kunnen we de verarmde natuur in Nederland repareren door er beesten in uit te zetten? Simpel gesteld was dit het onderwerp van een symposium van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN) dat vorige in het Ouwehands dierenpark werd gehouden.

Bevers worden met veel publiciteit vrijgelaten en de Amerikaanse brulkikker gaf afgelopen zomer enige hilariteit, maar hoe gaat het met de herintroductie van het oerrund, wisent of vervangers daarvan? Er zijn op dit moment vijf- tot zeshonderd projecten en projectjes waarin halfwilde runderen, schapen, koniks (een soort wild paard), ezels, geiten en wisenten een natuurterrein al dan niet het jaar rond begrazen. De vragen zijn: wat heeft dat opgeleverd en kun je de resultaten voorspellen?

Door dr. Rob Hengeveld en dr. Paul Opdam werd aannemelijk gemaakt dat er voldoende ecologische kennis bestaat om over enkele diersoorten voorspellingen te doen over het effect van uitzetten. Veel introducties zijn ijverig bestudeerd, vooral als biologische bestrijding in de landbouw. Men weet redelijk nauwkeurig of een bepaald roofinsekt met succes de plaaginsekten zal bestrijden of dat hij zelf een plaag wordt.

Maar bij de experimenten met 'grote grazers' ligt dit geheel anders. Vijf jaar geleden begon men op grote schaal te experimenteren. In de meeste gevallen zijn de halfwilde runderen uitgezet om het terrein te 'onderhouden' zonder beheer zouden sommige natuurterreinen geheel dichtgroeien waardoor maaien en plaggen noodzakelijk is. Grote grazers zouden een groot deel van dat werk van de beheerders kunnen overnemen.

Daarnaast had men in sommige gevallen de verwachting dat de begrazing het natuurlijk landschap zou verbeteren: er zou een interessante structuur ontstaan met open plekken, verarming op de ene plaats en door mest verrijking op de andere.

Strontvliegen

Maar volgens dr. G. W. T. A. Groot Bruinderink, verbonden aan de afdeling dierecologie van het RIN, was het resultaat van de begrazingsexperimenten niet in alle gevallen even geweldig. Zo verblijven de Schotse Hooglanders, een wintervast runderras, voornamelijk op het open land van het natuurgebied de Imbos, en niet in het bos, wat bij de introductie de verwachting was.

De werkelijkheid was volgens Groot Bruinderink heel wat weerbarstiger dan de studeerkamer, waarin heel wat schone verwachtingen werden uitgesproken. Zo zou in een onderzoek van Groot Bruinderink gebleken zijn dat bij begrazing van halfopen grasland de weideinsekten verdwenen, terwijl daarvoor in de plaats mestkevers en strontvliegen kwamen, soorten waar de insektenetende vogels geen belangstelling voor hebben. De nesten van grondbroedende vogels werden vaak vertrapt. Het gevolg is een achteruitgang van de vogelstand in plaats van een voorspelde vooruitgang.

De verrijking blijft dus zeer beperkt; eerder treedt vaak treedt verarming op. In een saai bos vergrijpen de grazers zich net aan die paar soorten bomen die wij liever laten staan. De boodschap van Groot Bruinderink was dat het niet gaat zonder ingrijpen van de mens met jacht op reeen, edelherten en wilde zwijnen of zonder een handje te helpen met zaag, en rooimachine. Alleen als men landbouwhuisdieren als schapen, paarden en runderen onder goed gecontroleerde omstandigheden als goedkope schoffelaars en maaimachines inzet gaat het wel goed. Aldus Groot Bruinderink van het RIN.

Benepen schaal

Deze aanpak werd fel aangevallen door drs. Frans Vera die, niet als spreker maar vanuit de zaal, het symposium levendig hield door na iedere lezing zijn visie te geven. Hij pleitte voor een 'systeemaanpak': het gaat niet om de invloed de dieren afzonderlijk uitoefenen of ondergaan, het gaat om het geheel van relaties. Simpel gezegd, zet desnoods een groot aantal diersoorten tegelijk uit in een zo groot mogelijk gebied. Neem bij voorkeur wilde 'grazers' als eland en wisent en doe daarna zo weinig mogelijk.

Volgens Vera zijn de teleurstellende resultaten echter sterk beinvloed door de benepen schaal waarop tot nog toe volgens dit principe werd geexperimenteerd. Er staan te veel belangen op het spel van terreineigenaren bij bosbouw en jacht.

Afgelopen vrijdag deden de 'landbouwkanonnen' Sico Mansholt, de gebroeders De Zeeuw en Wijffels van de Rabobank een voorstel dat vergaande gevolgen voor Nederland zal hebben. Volgens hen zal het onvermijdelijk zijn dat op korte termijn twintig procent van de Nederlandse landbouwgrond een natuurfunctie zal krijgen. De grond zal voornamelijk toegevoegd moeten worden aan de 'grote eenheden' van het Natuurbeleidplan.

Hoewel het plan op grote weerstand stuit van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij staatssecretaris Gabor noemde de termijn van tien jaar onbespreekbaar is het duidelijk dat er binnenkort toch wel iets gaat gebeuren. Over enige tijd moet de kennis over grote grazers toch wel uit het stadium van de studeerkamer zijn gekomen.