Geschiedenis van een lek

Ze stonden eerder deze week wat onwennig tegenover elkaar. Enerzijds enkele topadviseurs van de belastingadviesgroep Loyens en Volkmaars, met aan de andere kant de oud-staatssecretaris van financien, mr. H. Koning. De belastingadviseurs hadden voor hun clienten een boekje geschreven over de nieuwe fiscale regels voor beleggingsinstellingen.

Het eerste exemplaar daarvan wilden ze graag aanbieden aan de man die het boekje door de invoering van een reparatiewet nodig had gemaakt. Het leidde tot een bijzondere ontmoeting tussen de politiek en de belastingpraktijk.

Met verbazing hoorden de belastingadviseurs dat het ministerie van financien jarenlang niet op de hoogte is geweest over een slim gebruik dat grote concerns wisten te maken van een fiscale faciliteit die helemaal niet voor hen was bedoeld: de milde regels voor beleggingsinstellingen.

De concerns wisten, door hun overtollige liquiditeiten in een 'eigen' beleggingsinstelling onder te brengen, de beleggingsopbrengsten tot in lengte van jaren uit handen van de fiscus te houden. De hantering van deze constructie kon er toe leiden dat men in sommige concerns meer beleggingsinstellingen kon vinden dan werkmaatschappijen.

Tijdens de boekuitreiking onthulde Koning hoe hij door de versnippering in de belastingdienst pas veel te laat zicht kreeg op de populariteit van de constructie. De belastingadviseurs luisterden ademloos. 'Natuurlijk hebben de grote bedrijven wel goede onderlinge contacten', aldus R. J. T. Smit, senior-partner bij Loyens en Volkmaars. 'Misschien is er geen sprake van gelijke rechten als de fiscus bij gebrek aan kennis niet eerder op zo'n situatie kan inspringen.'

Dat 'inspringen' moet men zich niet al te dynamisch voorstellen. De werkzaamheden om de constructie te stuiten, begonnen in 1985. In maart 1987 ging de ministerraad akkoord met de reparatieplannen, die op 1 januari 1988 moesten ingaan. Wat een optimisme. Wie een halt wil toeroepen aan de inventiviteit die belastingadviseurs ten toon spreiden bij het vinden van belastingvoordelen, moet van goede huize komen.

Dat was kennelijk niet de afkomst van de wetgevers op Financien. Nog voordat het wetsvoorstel in een Kamerzitting aan de orde kwam, waren de mazen in de regeltjes al ontdekt. Een aantal beleggingsfondsen van grote concerns vroeg notering aan op de effectenbeurs. Niet zozeer om een groot publiek van hun beleggingsbeleid te laten profiteren, maar om te ontkomen aan de werking van het wetsvoorstel. Daarvan waren beursfondsen namelijk uitgezonderd.

Ze waren iets te vlot met hun actie, want Financien haastte zich de voorstellen aan te passen. Pas nadat ook de Tweede Kamer naar hartelust wijzigingen had aangebracht, trad de wet in juli van dit jaar in werking.

Hoe is het resultaat van deze lange voorbereidingsperiode? 'Teleurstellend', zo meent Smid, die het verkeerd vindt dat vlak voor de stemming nog onvoldoende doordachte wijzigingen in een wetsvoorstel terecht kunnen komen. In zo'n situatie acht hij het noodzakelijk het geheel terug te sturen naar de Raad van State, het hoogste adviesorgaan voor wetsvoorstellen.

Dat is in de ogen van ex-staatssecretaris Koning geen goede gedachte. Als een van de problemen van de Nederlandse wetgeving ziet hij de traagheid ervan; een fenomeen dat ook binnen de Europese Gemeenschap tot klachten leidt. 'Er is in de EG geen land dat naast een Tweede Kamer ook een Eerste Kamer en een Raad van State kent.' Een van de twee afschaffen zit er niet in; maar nog meer adviesrondes ziet hij helemaal niet zitten.

Smid legt de accenten anders: 'Regelgeving die als onredelijk of nauwelijks uitvoerbaar wordt ervaren, belooft niet alleen weinig goeds voor de toepassing van de desbetreffende regelgeving, maar ondergraaft ook de belastingmoraal en de relatie burger-overheid in algemene zin.'