Experiment Wolderwijd vuurproef voor biologisch waterbeheer; Vissen in troebel water

Deze winter gaat in het Wolderwijd, het grote Randmeer tussen Harderwijk en Nijkerk, een spraakmakend experiment van start. Om het troebele water weer helder te maken, wordt maar liefst 450.000 kilo brasem en blankvoorn weggevangen. In hun plaats worden enkele honderdduizenden jonge snoekjes uitgezet. Het is de eerste grote praktijkproef met actief biologisch beheer. De kosten bedragen 3 miljoen gulden, waarvan 2 miljoen voor het afvissen.

In het Wolderwijd, een water van 2700 hectare onder beheer van de Directie Flevoland, zijn de afgelopen jaren kosten noch moeiten gespaard om de overbemesting, die tot hinderlijke algenbloei leidt, terug te dringen. De fosfaatbelasting is gedaald van 0,25 a 0,30 tot 0,15 milligram per liter.

Toch blijft het water algengroen. Een vis als de brasem, die zich daarin happy voelt, houdt zelf het water troebel door de bodem om te woelen op zoek naar muggelarven. Om deze vicieuze cirkel te doorbreken wordt de visstand in het proefgebied de komende maanden uitgedund van 220 naar ongeveer 40 kilo vis per hectare. ' Het is een uniek en ook tamelijk spannend projekt, ' zegt drs. Eric jagtman, projektleider bij de directie Flevoland. ' Wij hebben de visrechten verworven in overleg met de hengelsporters en besteden het afvissen nu uit aan beroepsvissers.' Het is de bedoeling dat deze vissen levend worden doorverkocht en weer uitgezet in meertjes van hengelsportverenigingen. De handelswaarde is echter laag, hooguit een vijfde van de kosten van het vangen.

' Dit wordt onze vuurdoop, ' zegt ir. S. H. Hosper van de Dienst Binnenwateren en het Rijksinstituut voor de Zuivering van Afvalwater in Lelystad, die het idee heeft gelanceerd en al jaren onderzoek op dit terrein doet.

Het proefgebied is groot, maar redelijk goed beheersbaar. Aan beide zijden van het meer zitten sluizen. Daar worden wel schepen geschut, maar er komen weinig of geen brasems doorheen.

Een eerder experiment in de Breukeleveense Plassen was in 1989 om mislukt omdat het meer, eenaal leeggevist, al snel weer door brasems uit de omgeving werd veroverd. In het Wolderwijd is dat niet de bedoeling. In dit randmeer wordt sinds vorig jaar zoveel mogelijk schoon water uit de Flevopolders ingelaten in de hoop daarmee de hardnekkige groei van blauwalgen te doorbreken. ' Daarvoor hebben we zelfs een speciaal tegen visintrek beveiligd pompstation gebouwd, ' zegt Jagtman.

Een ander voordeel van het Wolderwijd als proefgebied is, dat daar geen zuiveringsinstallaties op lozen. Wel een aantal beken, maar de meeste daarvan zijn redelijk schoon.

Verreweg de grootste en ook de smerigste is de Schuitenbeek. In het stroomgebied daarvan bevinden zich talloze kippen- en varkensmesterijen en er wordt veel mest uitgereden. De bodem is volledig met fosfaat verzadigd en dat sijpelt nu in het Wolderwijd. ' Dat is een factor die nog tientallen jaren roet in het eten kan gooien, ' zegt Hosper.

' Met het ministerie van Landbouw en Visserij wordt overleg gepleegd over de mogelijkheid om de Schuitenbeek op een natuurvriendelijke manier af te leiden naar het Eemmeer, waar de fosfaatbelasting toch al tienmaal zo hoog is als in het Wolderwijd. Het algenprobleem in het Eemmeer is al zo groot dat het door het afleiden van de Schuitenbeek niet groter wordt.' Te denken valt aan een dam met begroeiing, waarachter het water wordt weggeleid.

Het schatten van de visstand in het Wolderwijd is een verhaal apart. Die vissen zitten immers niet stil. In het najaar zijn ze in de diepe vaargeulen te vinden. Hartje winter, bij koud of stormachtig weer zoeken ze de beschutting van de havens en andere uithoeken van het meer op, waar ze stil blijven liggen. Het zijn immers koudbloedige dieren. En in het voorjaar trekken ze naar de ondiepe geulen en vlakten om te paaien. Om de visstand te schatten dient een proefvisserij, bijvoorbeeld met de methode van kuiltrekken. Dan wordt een zakvormig net, dat achter een boot hangt met een opening van zo'n tien vierkante meter, een bepaalde tijd door het water getrokken. Op grond van bepaalde aannames over het vluchtgedrag van vissen wordt de vangstefficientie geschat op 80 procent. Aan de hand van deze gegevens valt de visstand te schatten.

Het echte afvangen begint in oktober en november in de diepe vaargeulen. In de wintermaanden worden vervolgens de havens, hoeken en gaten met netten afgesloten en afgevist. Tenslotte volgen in april tot juni 1991 de vlakte, waar de vissen paaien. Na afloop worden nieuwe proefvangsten gemaakt om te zien in hoeverre deze grote operatie is geslaagd.

' Het is de bedoeling, dat het water binnen enkele weken na het verdwijnen van de brasems helder wordt, ' zegt Hosper. ' Niet alleen omdat de bodem niet meer wordt opgewoeld, maar ook doordat watervlooien, die van algen leven, niet langer door de brasems worden opgevreten. Of het water dan verder helder blijft, hangt af van de terugkeer van de hogere waterplanten, die uit het donkere troebele water waren verdwenen. Hun terugkeer is cruciaal voor het ontstaan van een nieuw ecologisch evenwicht.'

Waterplanten bieden schuilgelegenheid aan watervlooien en aan vissen, die daar ook hun eieren afzetten. Roofvissen, zoals de snoek, vinden er dekking bij de jacht. De talloze jonge snoekjes die bij de viskwekers zijn besteld, een kwartje per stuk, drie tot vier centimeter groot, worden geleidelijk tussen de planten uitgezet. Daar moeten ze ondermeer de overgebleven eieren van de brasems opeten. ' Als er weinig planten komen zetten we ook weinig snoeken uit want anders heeft dat geen zin, die vreten elkaar in kaal water alleen maar op, ' zegt Hosper.

In principe is men niet van plan om behalve de snoek ook andere vissoorten speciaal uit te zetten. Men verwacht dat de natuurlijke aanwas voldoende zal zijn, als de omstandigheden in het meer verbeteren. Visse-eieren worden op allerlei manieren, ook door vogels aangevoerd. ' Maar als het tegenvalt kunnen we altijd nog vissen uitzetten' zegt Hosper.

Welke plantesoorten er precies moeten komen is van minder belang, als ze er maar komen. Planten slaan in de loop van de zomer steeds meer voedingsstoffen uit het water in hun stengels en bladeren op. Daardoor krijgen hun concurrenten, de algen, minder kans. Naast deze direkte voedselconcurrentie blijken waterplanten ook aan chemische oorlogvoering te doen: ze scheiden giftige stoffen in het water af, die de algengroei in hun omgeving remmen. En tenslotte leggen waterplanten met hun wortels de kale bodem vast, zodat de wind daar minder vat op krijgt.

De wind vormt de belangrijkste onzekere factor in het grote proefprojekt. Zolang de bodem van het ondiepe Wolderwijd (gemiddeld 1,6 meter diep) niet begroeid is, heeft de wind daar vrij spel, met alle gevolgen vandien. Nu komen op 15 procent van het oppervlak planten voor, de verwachting is dat dat toeneemt naar 40 procent. Voor een gezonde snoekenstand geldt een plantengroei op 25 procent van het oppervlak als minimumeis. Men verwacht dat het fosfaatgehalte in het water dan tot minder dan 0,1 milligram per liter zal dalen.

Fosfaat heeft zich door de jaren heen ook opgehoopt in de waterbodem, waaruit het nu in kleine hoeveelheden vrij komt. In kleinere meren is de afgelopen jaren geexperimenteerd met baggeren (kostbaar en waar laat je het slib?) of een behandeling met ijzerzouten om fosfaten te binden (waardoor het water soms van een groene in een rode soep verandert).

Volgens Hosper is dat alles voor de Randmeren niet nodig. Uit proeven van de DBW/RIZA is gebleken, dat een waterbodem waarin weinig vissen wroeten ook weinig fosfaat nalevert, het meeste blijft gewoon zitten. Fosfaat komt vooral vrij door zuurstofloosheid vlak bij de bodem en verder als de zuurgraad hoog is. (Algen onttrekken namelijk koolzuur aan het water, waardoor OH--ionen vrijkomen en de zuurgraad omhoog gaat. Fosfaationen in de bodem worden dan verdrongen door deze OH--ionen, die zich aan het slib hechten.)

Een probleem apart vormt de flap, de sliertige grote draadvormige algen waarmee waterplanten en stenen in voedselrijk water begroeid raken. Zij dreigen de boel op den duur te verstikken. Ook blauwalgen, microscopisch kleine draadvormige algjes, kunnen lastig zijn, want watervlooien eten die niet graag. De watervlooien zelf kunnen bovendien ten prooi vallen aan de aasgarnaal, die in de Randmeren thuishoort en wellicht toeslaat als de brasems verdwijnen. Als de watervlooien massaal door de aasgarnaaltjes worden weggevangen en die kans is niet denkbeeldig dreigt het hele projekt te mislukken en is drie miljoen gulden in het water gegooid.

Al met al zijn er redenen genoeg voor de waterbeheerders in binnen- en buitenland om de ontwikkelingen in het Wolderwijd met argusogen te volgen. Aktief visstandbeheer is al in verschillende kleinere wateren uitgeprobeerd, maar meestal sukkelen zulke wateren binnen een jaar of vijf terug naar de uitgangssitutie zolang de watervervuiling zelf niet bij de bron wordt aangepakt. Veel wateren in ons land staan met elkaar in open verbinding.

' Een mislukt proefprojekt kan een gevoelige klap zijn voor het imago van het Aktief Biologsich beheer, ' zegt Hosper. ' Maar ik ben nou eenmaal een groot voorstander van praktijkproeven. We hebben er lang genoeg op gestudeerd, laten we het nu gewoon maar eens doen!'