'Drie academies voor bouwkunst moeten sluiten'

ROTTERDAM, 6 nov. De academies voor bouwkunst in Arnhem, Groningen en Maastricht moeten dicht. De opleiding tot architect wint aan kwaliteit als deze wordt geconcentreerd in de drie resterende academies te Amsterdam, Rotterdam en Tilburg.

Een commissie onder leiding van rijksbouwmeester prof. dr. K. Rijnboutt schrijft dit in een rapport dat gisteren aan de HBO-Raad werd aangeboden. De raad had om dit advies gevraagd om de al jaren lopende discussie over de opleidingen tot (landschaps)architect en stedebouwkundige te kunnen beeindigen.

De commissie wil dat het geld dat aan de zes huidige academies voor bouwkunst wordt besteed in de drie resterende tweede fase-opleidingen wordt gestoken. Voor een betere opleiding tot architect is het daarnaast nodig dat al in de eerste fase, bij voorkeur al in het tweede jaar, een ruime afstudeervariant bouwkunst wordt ingevoerd. Die zou in het technisch hoger onderwijs moeten worden ondergebracht. Er is volgens de commissie ruimte voor zes van deze eerste fase-opleidingen. Zij spreekt zich niet uit over vestigingsplaatsen voor die opleidingen. Het volgen van die variant kan voorwaarde voor toelating tot de tweede fase zijn, oppert de commissie.

Voor de tweede fase-opleiding tot architect en stedebouwkundige zijn twee tot drie academies voor de bouwkunst voldoende, zo meent de commissie. Het voorstel dat de verkenningscommissie bouwkunde vorig jaar deed om te volstaan met een landelijke opleiding wordt van de hand gewezen. Dan zou de in de architectuur belangrijke scholing te zeer in het gedrang raken. De academies moeten jaarlijks zo'n negentig (landschaps)architecten en stedenbouwkundigen afleveren. De commissie gaat er van uit dat er daarvoor 125 studenten aan hun tweede fase moeten beginnen.

Als er sprake is van een goede afstudeervariant in de eerste fase kan volgens de commissie de deeltijd-opleiding in de tweede fase worden beperkt van zes tot vier jaar. De commissie geeft er de voorkeur aan de opleiding als deeltijd-opleiding te handhaven. Zij erkent dat het de hogescholen vrij staat er een voltijdse opleiding van te maken, maar dan is de regionale spreiding minder van belang en kan worden volstaan met twee academies, zo waarschuwt de commissie. Een combinatie van deeltijd- en voltijdopleidingen wijst de commissie van de hand. De door concentratie beoogde kwaliteitsverbetering zou door de spreiding van de aandacht over twee 'opleidingen' weer te niet worden gedaan.