Chinese minister in het Midden-Oosten

PEKING, 6 nov. De Chinese minister van buitenlandse zaken, Qian Qichen, is vanmorgen begonnen aan een reis naar vier landen in het Midden-Oosten, waaronder Irak, om 'gewicht toe te voegen aan de pogingen om tot een vreedzame oplossing te komen'. In de Egyptische hoofdstad Kairo zal Qian vandaag zijn Amerikaanse ambtgenoot James Baker ontmoeten en de komende dagen Saoedi-Arabie, Jordanie en ten slotte Irak aandoen.

Qian is na de reeks van Westerse en Japanse ex-staatslieden een van de eerste zittende bewindslieden van buiten de regio die Bagdad bezoeken. Alleen de Oostenrijkse president Waldheim en de Bulgaarse vice-president gingen hem voor.

Qian zei voor zijn vertrek dat hij geen 'specifieke voorstellen' zal doen. 'Ik ben geen bemiddelaar, het doel van mijn bezoek is meer gewicht te geven aan de inspanningen om tot een vreedzame oplossing te komen'. Qian zei verder dat de besprekingen met Baker worden gevoerd op Amerikaans voorstel. Hij voegde er aan toe dat verbetering van de bilaterale Chinees-Amerikaanse betrekkingen ook ter sprake zal komen. De twee bewindslieden spraken elkaar vorige maand al in New York.

Westerse diplomaten in Peking menen dat Qians kansen om Irak te beinvloeden nihil zijn en dat het enige wat hij kan bereiken wellicht een evacuatie-plan is voor de nog aanwezige Chinezen in Irak. 'Stel dat de oorlog uitbreekt en de Chinese regering heeft niets gedaan om hen thuis te krijgen, dat zou haar in grote verlegenheid brengen', aldus een Westerse diplomaat.

China had voor de crisis bijna 10.000 contract-arbeiders in Koeweit en Irak. De 5.000 Chinezen uit Koeweit zijn eind augustus geevacueerd en naar China teruggekeerd, maar de meerderheid van de 4.800 Chinezen in Irak zijn gebleven omdat Peking hun inkomen uit harde valuta niet wilde verliezen.

De woordvoerster van het Chinese ministerie van buitenlandse zaken, Li Jinhua, zei enige dagen geleden dat China een verlies van twee miljard dollar heeft geleden als gevolg van de sancties tegen Irak. Mevrouw Li verklaarde dat de verliezen waren gebaseerd op voorlopige cijfers over verloren handel, transport- en luchtvaartinkomen en dat Iraakse schulden 'wegens diensten' niet waren meegeteld.

Waarnemers achtten de cijfers onwaarschijnlijk hoog en slechts aannemelijk als Iraks schulden voor Chinese wapenleveranties daarbij zijn inbegrepen. China was gedurende Iraks achtjarige oorlog tegen Iran na de Sovjet-Unie en Frankrijk de derde wapenleverancier aan Bagdad van onder andere T-69 tanks, F-7 jagers en Zijderups-raketten.

China's positie als crediteur en de Chinese steun in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de door Amerika geleide anti-Irak coalitie zijn geen aanbevelingen om Saddam te vermurwen. China beschouwt zichzelf echter als leider van de Derde wereld en waarnemers menen dat het zich als zodanig verplicht voelt een (symbolische) poging te odernemen om de crisis te helpen oplossen.

    • Willem van Kemenade