Autonomie als modernisme

Abraham Kuyper moest weinig van autonomie hebben. In 1871 ageerde hij er tegen in zijn lezing 'Het modernisme, een fata morgana op christelijk gebied'. Kuyper verzette zich daarmee tegen dominees als de Leidse hoogleraar Opzoomer, die onder invloed van de empirische wijsbegeerte de zelfstandigheid van het menselijk geweten tegenover de goddelijke genade beklemtoonden. Geduldig legden deze dominees hun gemeente uit dat het de moderne mens niet paste om in het wonder te geloven, in de goddelijke inspiratie van de Bijbel of in de erfzonde.

Kuyper zag in deze preken ' een dorst naar werkelijkheid. Men wil voor alle dingen zien of tasten.' Dat streven kon alleen maar eindigen in de ' heilloze afgrond van het materialisme.' Behalve op het dedain voor het onzichtbare en op de afhankelijkheid van de ratio, richtte Kuyper zijn pijlen ook op de fragmenterende werking van het modernisme. In plaats van de gebondenheid in een geloof kwam de ' individuele opinie van de predikanten', die de weg baande voor een 'alle ziel ontzenuwend intellectualisme'.

De tijd is anders, maar de reflexen zijn dezelfde gebleven. De mannenbroeders uit de anti-modernistische traditie ook bij de katholieken sterk aanwezig hebben nog steeds moeite met autonomie. Kuyperiaanse angsten voor het 'peilloos materialisme' keren terug in de huidige kritiek van christelijke scholen op het kwantitatieve 'output-denken'. Dit denken zou ten grondslag liggen aan het streven van het ministerie van onderwijs om de scholen meer autonomie te geven. Grotere vrijheid moet volgens de overheid immers verantwoord worden in koele cijfers: eindexamenresultaten, lesuitval, aantal 'drop-outs' en zo meer.

Niet dat het confessioneel onderwijs bang is voor die cijfers. Bijzondere scholen scoren over het algemeen goed. Nee, de vrees is veeleer dat de religieuze, culturele en pedagogische normen en waarden van een school straks alleen nog relevant zijn voor zover ze bijdragen aan de meetbare 'output'. Bovendien zal de gemeenschappelijkheid van deze waarden verloren raken in de grote concurrentie waartoe de overheid autonome scholen aanzet. De conclusie van een nieuwe staatspedagogiek is hier en daar in confessionele kring dan ook al getrokken.

Een aardige illustratie van autonomie-vergroting als cultuurconflict vormt het bundeltje beschouwingen dat vorige maand werd uitgegeven door het Algemeen Bureau Katholiek Onderwijs. Bij wijze van afscheid van directeur Ergo de Los Santos houden wetenschappers en vertegenwoordigers van diverse belangen- en adviesorganen daarin beschouwingen over autonomie.

De meesten melden zich op de preekstoel om korter of langer uit het 'anti-technocratisch' evangelie voor te lezen. De pedagoog prof.dr. J. H. G. I. Giesbers van de Katholieke universiteit Nijmegen doet dit het langst. In de besturingsfilosofie van uitgerekend de voor autonomie pleitende calvinist Deetman, ontwaardt Giesbers een waardencomplex dat hij in niet de geringste termen omschrijft als ' concurrentie, rendement, marktgerichtheid en technocratisch materialisme'. Tegenover ' utilitarisme, concurrentie, efficiency' van de laatste stelt hij grootheden als ' solidariteit, rentmeesterschap en gerechtigheid'.

Dit betekent niet dat daarmee elke autonomie-vergroting voor Giesbers heeft afgedaan. Als de huidige grote aandacht voor de schoolleider als een wat technocratisch manager wordt aangevuld met pedagogisch-didactische scholing, zijn we al een eind in de goede richting volgens Giesbers. Kennelijk worden de nieuwe tijden van concurrentie, rendement en marktgerichtheid er ook voor christelijke scholen wat draaglijker door als deze twee voorwaarden zijn vervuld. Rivaliteit heet dan ineens 'gezonde rivaliteit'.

Overigens betwijfelt Giesbers of het wel tot vergaande autonomievergroting in het basis- en voortgezet onderwijs zal komen. Hij wijst op onderzoek van onder meer het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen in Nijmegen. Daaruit blijkt dat de meeste scholen buiten het beroepsonderwijs 'geen massale dereguleringsbehoefte' hebben. Veel scholen raken liever wat bureaucratische ballast kwijt, dan zichzelf om te turnen tot een beleidsontwikkelend en beleidsuitvoerend apparaat.

Ook de belangrijkste calvinist in het gezelschap van auteurs, oud-staatssecretaris van onderwijs K. de Jong Ozn., pompt de gevaren van autonomievergroting voor het confessioneel onderwijs hoog op. Uniforme kwaliteitseisen kan de overheid aan zelfstandige scholen niet stellen. Daarvoor is de maatschappij te pluriform en het onderwijs te multi-cultureel geworden, stelt de voorzitter van de Unie School en Evangelie, de bewaakster van de identiteit van het protestants-christelijk onderwijs in Nederland.

Volgens De Jong Ozn. wordt het voor de overheid nu al steeds moeilijker om examenprogramma's op te stellen die voor alle scholen gelijk zijn. Bij autonomie-vergroting zal dat alleen maar erger worden. De Jong Ozn. pleit dan ook voor eigen examens voor het bijzonder onderwijs. Elke zuil zou zijn examenbureau moeten krijgen, of het nu voor opgaven over de evolutie in de biologie is of over een differentiaalvergelijking in de wiskunde.

Momenteel hebben protestanten, katholieken en openbaren aan de 'input'-zijde van het onderwijs hun eigen pedagogische centra. Deze uitgebreide 'verzorgingsstructuur' biedt elke denominatie in het onderwijs haar eigen materiaal. Als het streven van de Jong werkelijkheid zou worden, komt ook nog eens aan de 'output'-kant van het onderwijs een nieuwe structuur om de zegeningen van de verzuiling te bewaken.

Dat de meningen over de culturele gevaren van autonomie-vergroting ook in confessionele kring zijn verdeeld, bewijst tenslotte de bijdrage van ir. W. C. M. van Lieshout. De voorzitter van het college van bestuur van de Katholieke Universiteit in Nijmegen verwerpt weliswaar elke poging van de overheid uniforme eisen aan werkwijze, inhoud en beoordeling van het onderwijs te stellen, maar tegelijkertijd vindt hij dat de overheid minimum-eisen mag opleggen. Ook juicht hij ' alle pogingen toe om gestandaardiseerde en betrouwbare informatie over scholen beschikbaar te stellen voor belanghebbenden (zoals ouders, red.).' Zo zou een school bovenop de minimum-eisen van de overheid openbaar verantwoording moeten afleggen van haar werkwijze en doelstellingen. Een dergelijke combinatie van minimum-eisen ('kerndoelen') van de overheid en openbare verantwoording is inmiddels ook door staatssecretaris Wallage voorgesteld in zijn wetsvoorstel op de basisvorming.

Van Lieshout verwacht dat elke gestandaardiseerde informatie de concurrentie tussen de scholen versterkt. Hij vindt dit acceptabel zolang de resultaten en de werkwijze openbaar zijn. Alleen op die manier kan een *

ifferentieerd patroon van onderwijsvoorzieningen ontstaan. De koepels kunnen daarbij een gevaar vormen. ' Gewaakt zou moeten worden voor een uniformiserende, regulerende werking vanuit de landelijke onderwijsorganisaties', waarschuwt hij.

Of autonomie in confessionele kring uiteindelijk alleen maar als gevaar wordt beschouwd moet nog blijken. Kuyper zag het modernisme behalve als een bedreiging, ook als een kans om het eigen geloof waar te maken. ' Het heeft ons tot zegen gestrekt. De beginselen waren weggefutseld. (-) Er is ons weer moed in het bloed, weer gloed in het matte oog gevaren.'

'De noodzaak tot verantwoording, beschouwingen over autonomie en evaluatie in het onderwijs', Algemeen Bureau voor het Katholiek Onderwijs, tel.: 070-3568100