Selectieve argumentatie past columnist

Op 31 oktober heeft de hoofdredactie van NRC Handelsblad haar columnist J. A. A. van Doorn ontslagen en in het openbaar beschuldigd van onbetamelijke toonzetting en formulering in diens columns van 18 en 25 oktober. De handelwijze van de nieuwe hoofdredacteur is om drieredenen verkeerd.

De eerste reden betreft de bescherming van liberale waarden in ons land. NRC Handelsblad is van origine een liberale krant en wenst haar afkomst elke dag weer te bevestigen. De legitieme grenzen aan de publikatievrijheid liggen onder meer bij een aantoonbare schadelijke invloed op derden. De hoofdredacteur verwijst echter naar de grenzen van het betamelijke, zonder in te gaan op inhoud en toepasselijkheid van deze fatsoensnorm. Misschien beroept de hoofdredacteur zich op de gewraakte passage over de gelijkschakelingvan de visie van de Israelische politie op het Tempelberg-incident en de visie van de joodse journalisten. Maar Van Doorn heeft zich in zijn tweede stuk van deze grove generalisering gedistantieerd, zodatdit beroep vervalt. Misschien beroept de hoofdredacteur zich op woorden als 'propaganda-machine' of op Van Doorns beslissing om inzijn dupliek niet op allerlei feitelijke details uit alle ingezondenbrieven in te gaan, maar in plaats daarvan zijn betoog verder te schragen met citaten uit de massamedia. Maar krachtige taal en selectieve argumentatie zijn algemeen aanvaarde wapens van columnisten, zoals het ook bekend mag worden verondersteld dat een column een ander woord is voor een kort en provocerend betoog, niet voor een lange, wetenschappelijk verantwoorde sociologische analyse met voetnoten.

Wat overblijft, is het vermoeden dat de hoofdredacteur met brievenschrijvers als Boas van mening is dat Van Doorns excuus te karig is. Maar dan dient hij aan te geven welke onvergeeflijke fouten de columnist verder nog heeft begaan. Van Doorns bijdrage bevatte niet veel meer dan een actualisering van de bekende stelling dat de waarheid het eerste slachtoffer is van de oorlog en de even bekende stelling dat een betrokken journalist een gewoon mens is en dus moeite heeft zijn objectiviteit te bewaren in de rapportage over Israel. Het woordgebruik van deze columnist is, zoals vaker, aan de rauwe kant, maar zinkt wat prikkelend vermogen betreft toch in het niet bij hetgeen J. B. Charles zich ooit in Vrij Nederland veroorloofde. Kortom, de hoofdredacteur maalt niet om de respectabele liberale traditie waarin de bewijslast drukt op degene die een vrijheid wenst in te perken. Dat is zijn eerste fout.

De tweede reden betreft de stagnatie van het openbare en intellectuele debat over de bijdrage van de massamedia aan het beeldvan de politiek van de staat Israel sinds de intifadah of sinds de steunvan de PLO aan Saddam Hussein. Ik heb het niet onderzocht, maar wil wel aannemen dat vele journalisten die zich met Israel bezighouden joods zijn, zoals ook vele Palestijnen hun weg hebben gevonden naar een beroepsmatige waarneming van het conflict in het Nabije Oosten. Daar is op zichzelf niets bijzonders aan. Het werkelijke politieke strijdpunt is de vraag of deze 'segregatie' bepaalde bedoelde of onbedoelde gevolgen heeft voor de kwaliteit van de berichtgeving over Israel.

Van Doorn heeft een onzorgvuldig standpunt ingenomen, wat enkele brievenschrijvers ook hebben laten zien. Hij vervalt gelukkig niet in een loze samenzweringstheorie, maar gaat toch voorbij aan het ervaringsfeit dat vele joodse journalisten, binnen en buiten Nederland en Israel, hun betrokkenheid van lieverlee omzetten in eenuitermate kritische houding tegenover alles wat een Israelische staatsapparaat doet of nalaat. En hij vraagt aandacht voor het mechanisme van externe bedreiging van een volk en interne zelfcensuur, doch zonder de ernst en de realiteit van de dagelijkse externe dreiging serieus te nemen. De ontkenning van het aantal joodse gewonden op de Tempelberg is hier exemplarisch.

Aldus wekte Van Doorn een mini-debat op, waarin de meeste deelnemers hetmet hem oneens blijken te zijn, sommigen (Tamar, Kuiper) aan zijn zijde staan, en bijna allen hun passies beheersen en met vallen en opstaan over moeilijk bewijsbare zaken praten. De hoofdredacteur maakt met zijn machtswoord een einde aan het lastige streven naar redelijkheid en een belangwekkende discussie. Aldus maakt hij de fout het genoemde politieke strijdpunt te veranderen in een taboe voor zijn abonnees.

De derde reden betreft de verzieking van het geestelijk klimaat, binnen en buiten onze journalistiek. Er wordt nu gezegd dat een aanzienlijk aantal NRC Handelsblad-redacteuren al jaren bezwarenheeft tegen de antisemitische, racistische en seksistische toon die de desbetreffende columnist aanslaat. Er staat meteen een jurist op die, geheel onbewust van zijn stalinistische denkraam, het begrip politieke beoordelingsfout met de begrippen misdrijf en regelovertreding verwart (oud-hoofdredacteur van het CPN-dagblad de Waarheid Schreuders; NRC Handelsblad, van 19 oktober). Michael Stein matigt zich in Vrij Nederland de rol van superpsycholoog aan die aan een enkel lidwoord al genoeg heeft om de ware antisemiet te ontmaskeren. Het staat kennelijk al vast dat de man antisemiet is, maar het ochtendnieuwswordt nu dat op zijn werk zelfs sporen van recidivisme zijn aangetroffen.

De hoofdredacteur geeft het verkeerde signaal. Waarom heeft hij zich niet beperkt tot een afwijzend commentaar op de columnist? Waarom heeft hij de tegenstanders van Van Doorn niet uitgenodigd om in debat te gaan en een inhoudsanalyse te plegen van alle columns sinds 1982 om overtuigend aan te tonen dat Van Doorns realisme, conservatisme of anticommunisme het omhulsel is van een reactionair en voor Nederlandse begrippen zeldzaam wereldbeeld? In plaats daarvan schuift de hoofdredacteur aan bij een gezelschap van borrelpraters, karaktermoordenaars, pseudo-vrijzinnigen en luie denkers, en schept hij onbedoeld een klimaat van associatieve beschuldiging waarin Van Doorns verdwijning het ellendige bewijs wordt van diens omstreden bewering. Het is een vorm van onbetamelijkheid een voorheen hogelijk gewaardeerde medewerker van de krant zo te stigmatiseren.