Kappen met kappen tropisch regenwoud heeft een flinkeprijs

Met het wereldbosbouwbeleid is het nog niet goed gesteld. De nood is hoog gestegen maar het ziet er naar uit dat de redding voor de resterende tropische bossen nog niet nabij is. Cijfers die de ontbossingssnelheid mondiaal karakteriseren zijn recentelijk zelfs naar boven bijgesteld: in de tropen verdwijnt niet gemiddeld 11 miljoen hectare bos per jaar, zoals lang werd aangenomen, maar 17 miljoen hectare, volgens nieuwe waarnemingen en berekeningen van FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. De verwachtingen verbonden aan de uitvoering van plannen die vijf jaar geleden op het Wereld Bosbouw Congres in Mexico werden gelanceerd om de ontbossing af te remmen, werden daarentegen de laatste tijd naar benedenbijgesteld.

Zoals zo vaak het geval is op het terrein van het milieu, waren het weerde niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die het eerst aan de bel trokken om te melden dat lancering en zeker uitvoering van nationale 'Tropical Forestry Action Plans' (TFAP's) eerder leiden tot versnelde houtkap dan tot behoud en verantwoord beheer van tropische bossen. FAO, na het Wereld Bosbouw Congres in Mexico aangewezen om het TFAP-beleid in de wereld te coordineren, gaf er blijk van zich dit eventuele effect onvoldoende bewust te zijn. Men verheugde zich over de geweldige respons die gekomen was op de lanceringvan het speciale actieprogramma voor het behoud en de ontwikkeling van tropische bossen. Dit jaar waren bijna zestig tropische landen in overleg met FAO bezig met de voorbereiding, of reeds de toepassing van een TFAP. Mooi toch!

Ja, maar wellicht werden de volgende zaken onvoldoende voorzien, of te optimistisch ingeschat. Bosbouw is bijna overal een zwakke sector, vooral in vergelijking met de landbouw. Op regeringsniveau zijn er in veel landen nauwelijks pleitbezorgers voor deze sector en het institutionele kader (bosdiensten) is nog maar magertjes tot ontwikkeling gekomen. Alleen al de aankondiging dat erop nationaal niveau een bosplan zal worden gemaakt leidt ertoe dat in decommerciele sfeer nog snel wat wordt geregeld (uitgifte van concessies). Bovendien zijn er landen die voor hun betalingsbalans zwaar afhankelijk zijn van houtuitvoer. De minister van landbouw en bosbouw van Uganda bij voorbeeld zei onlangs onomwonden in een vergadering dat in de situatie waarin haar land nu verkeert, namelijk een overschot aan witte mais, waarvoor geen kopers zijn en lage koffieprijzen en dergelijke, zij voor hout nog een aardige prijs ontvangt en dus door zal gaan met kappen.

Wordt hiermee de relatie gelegd met het belang van het GATT-gebeurenvan de Uruguay-ronde, tevens wordt overduidelijk gemaakt dat hun belang niet directsamenvalt met het belang van de zogenoemde donorgemeenschap die veelmeer nadruk legt op het behoud en milieubewust beheer van bossen. Dat laatste wordt dan ook gedaan op basis van heel andere motieven: de belangrijke rol die bossen spelen in het proces van klimaatverandering en met het oog op behoud van biologische diversiteit, om er maar twee te noemen.

Met het voorbeeld van Nederland kan duidelijk worden gemaakt dathet nog wel even kan duren voordat de motieven van Noord en Zuid ten aanzien van het behoud en beheer van bossen samenvallen.

Tot in het midden van de vorige eeuw verloor Nederland steeds meer bos aan de landbouw en werd er gekapt ten behoeve van de industriele ontwikkeling en de stedebouw. Pas aan het eind van de vorige eeuw werd een daadwerkelijk begin gemaakt met (her)bossing, eerst om stuifgronden vast te leggen (dus erosiebestrijding), later, veellater ten behoeve van recreatie en milieu. En nu zelfs omdat de behoefte aan producerende landbouwgronden afneemt.

Veel geld

Als de wereldgemeenschap niet kan wachten op zulke veranderingen in de motieven voor bebossing en behoud van bestaande bossen in de tropische ontwikkelingslanden, zal er met veel geld over de brug moeten worden gekomen. Het mooiste zou zijn als een deel van dit geld de ontwikkelingslanden bereikt doordat er redelijke prijzen betaald gaan worden voor hun produkten als resultaat van de lopende GATT-onderhandelingen. Een deel zou kunnen worden gebruikt voor schuldomzettingen. Een ander deel zal ter beschikking moeten komen voor projecten, voor institutionele versterking van de bosdiensten, voor bosonderzoek, enzovoorts. Deze laatste weg is geen eenvoudige. In de laatste vijf jaar is al gebleken dat FAO het in zijn eentje ook niet kan volbrengen. Op de in septmeber gehouden vergadering van de bosbouwcommissie van FAO is dit de organisatie hardhandig aan het verstand gebracht en geeist dat FAO moet gaan samenwerken met andere VN-instellingen, met de Wereldbank en vooral ook met de NGO's.

De andere weg die ook, en misschien wel tegelijkertijd zou moeten worden bewandeld, is die van importheffingen, verbod op invoer van tropisch hout uit landen die (nog) niet aan duurzaam beheer van bossen doen en vooral die van het opstellen van een internationale conventie voor alle bossen in de wereld. Dat laatste dan in samenhang met conventies voor klimaatverandering en behoud van biologische diversiteit. Zelfs op de laatste top van de G7 werd dit juridisch instrumentarium aanbevolen. Maar deze weg is lang en moeizaam en minder overtuigend jegens de ontwikkelingslanden. Daarom geloof ik dat alleen een financieel verstrekkend, gedifferentieerd aanbod van de rijke landen er in kan resulteren dat in een iets sneller tempo de remweg van de wereldwijde ontbossing wordt verkort.

Op 6 en 7 november komt de Assistent-Directeur Generaal Bosbouw van de FAO, de heer Hollis Murray naar Nederland om met ministers, Kamerleden, ambtenaren en vertegenwoordigers van NGO's deze zaken nog eens door te spreken. Nederland, op dit gebied opererend in de voorste linies, krijgt zo de kans zijn denkbeelden weer eens te etaleren maar vooral ook het beleid te toetsen aan wat, alles overwegend, objectief gezien haalbaar is.