Jubileum-jubel van Zijderveld

Het CDA barst bijkans uit zijn voegen van zelfvertrouwen. Na tien jaar interne samenballing heeft het nu een begerig oog geworpen op het ongelovige deel van de natie. Bij de beoordeling daarvan is het niet goed om dezelfde fout te maken als destijds bij de vorming van het CDA: een lacherige onderschatting.

Elke periode heeft haar eigen ideoloog. Was Oostlander de denker van de ingroei, Zijderveld maakt een goede kans de ideoloog van de uitgroeite worden. Is Oostlander een vrolijke maar strenge antirevolutionair, Zijderveld poseert in Vrij Nederland van 27 oktober als gesjeesde student theologie en CDA'er van het laatste uur. De Rotterdamse cultuursocioloog heeft zich vlot ontwikkeld van een 'betrekkelijke buitenstaander' tot iemand die graag over 'wij' spreekt als het om het CDA gaat. Daar is op zich niets mis mee zolang hij zich van deze rolwisseling bewust is. Dat laatste lijkt niet het geval te zijn in zijn beschouwing in Christendemocratische Verkenningen (9/90), door hemzelf als 'sociologisch en academisch' gekwalificeerd, maar toch vooral van partijpolitieke intenties doordrenkt.

Zijderveld stelt zich in zijn bijdrage Van oude en nieuwe christenen tendoel het fenomeen van de omgekeerde doorbraak te becommentarieren. Hoe komt het dat het CDA ook kiezers trekt in niet-kerkelijke kring? Zonder enige toelichting leidt hij uit dit gegeven de stelling af dat er 'kennelijk (...) een onkerkelijk, ongeorganiseerd, algemeen cultuurchristendom (is) dat zich verwant voelt met de C vanhet CDA'.

Hoezo, de C ? Waarom niet met de D van daadkracht of de A van aards ?

Maar laten we even aannemen dat Zijdervelds uitgangspunt de motievenvan de kiezer enigszins weerspiegelt wat niet is uitgesloten en zijn betoog volgen. In het voetspoor van T. S. Eliot legt hij een onlosmakelijk verband tussen cultuur en religie. De symbolen en normen van een cultuur overstijgen het invidu, zijn een vorm van transcendentie. Verder heeft de 'zichtbare' religie van de kerken in de loop der eeuwen de algemene cultuur zo doordrongen dat er een alom tegenwoordige 'onzichtbare' religie, een 'cultuurchristendom'is gegroeid, aldus Zijderveld.

Als historische vaststelling valt daar weinig op af te dingen. Maar wat zegt ons dat over de moderne tijd? Zonder omwegen stelt Zijderveld vast: 'Kortom, ondanks de ontkerkelijking en dankzij de levensbeschouwelijke ontzuiling wordt ons land cultureel niet gekenmerkt door ontkerstening en paganisering: we zijn nog steeds voor het merendeel een 'christelijke' natie'. (Waar die aanhalingstekens bij christelijke op slaan, is een raadsel; toch een lichte twijfel bij zoveel stelligheid?).

Hier wordt ineens wel op een massale schaal ingelijfd. Zijderveld heeft natuurlijk gelijk als hij onderscheid maakt tussen sociale processen als ontzuiling en ontkerkelijking en de culturele vraag naar de bloei of het verval van religie. Daar staat tegenover dat een onbevangen sociologische analyse toch ten minste ruimte zou moeten latenvoor de veronderstelling dat de modernisering tot een verval van de band tussen cultuur en religie heeft geleid.

Zijdervelds wenkende perspectief staat ver af van het gebrom uit het fusietijdperk over het verval van sociale verbanden. Daarmee omzeilt hij de merkwaardige tegenspraak in de houding van de christendemocraten. Want hoe kan in het cultuurpessimisme de mensen zijn bevangen door 'consumentisme' aanleiding worden gevonden tot een hoopvol beroep op diezelfde somber stemmende burger? Waar menige denker van de ingroei vooral erosie zag, ontdekt de expansionist Zijderveld monter een vruchtbaar terrein.

Toen ging het om de bevestiging van het 'wijgevoel', nu staat een handreiking naar 'zij-daarbuiten' op het programma.

Bij al deze optimistische verwijzingen naar het erfgoed vroeg ik me af of Zijderveld eigenlijk de studie van Menno ter Braak heeft gelezen waaraan hij zonder dat overigens te vermelden zijn titel ontleent. Ter Braak behandelde in zijn Van oude en nieuwe christenen (1937) hetzelfde probleem, maar kwam tot nogal verschillende conclusies.

Ter Braak: 'Waarom zouden wij niet erkennen, wat wij thans kunnen erkennen, 'omdat God dood is': dat onze cultuur rust op het Christendom, door en door christelijk is tot in haar felste onchristelijkheid ... '. Omdat God dood is, daarin schuilt een levensgrote afstand tussen de oude en nieuwe beschouwing. De 'erfenis'kan worden erkend nu er geen 'kapitaal' meer uit te slaan is, aldus Ter Braak: 'Wie in onze erfenis een nieuw christelijk kapitaal weet te ontdekken, is rijp voor de katholieke retraite'.

Tegen het einde van zijn beschouwing wordt geheel duidelijk waar het Zijderveld om te doen is. Hij wil een brug slaan tussen de zachte rand van het cultuurchristendom en de harde kern van de 'echte gelovigen' in het CDA. Anders gezegd: hij wil de 'omgekeerde doorbraak' legitimeren als een strategie die heel goed is te verzoenen met de identiteit van de christendemocratie.

Ook wat dit betreft had hij zijn voordeel kunnen doen met lezing van Ter Braak. Deze gruwde van de zachte rand die Zijderveld zo vreugdevol stemt: 'Zij bestelen het Christendom, deze humanisten, al verwerpenzij het om hun stelligheid, want van het christelijk hiernamaalsdragen zij heimelijk de resten mee, kinderlijk verheugd, dat zij de christelijke hemel vervaagd hebben tot een ideaal van algemene menselijkheid'.

Inderdaad, zo is men geneigd te vragen: is er niet een wezenlijke tegenspraak tussen het diffuse, halfgeseculariseerde humanisme en de georganiseerde kerkelijke godsdienst? Zijderveld is zich van het probleem bewust, want ondanks zijn brede gebarentaal wil hij wel dat de 'kerken, theologen en 'echte gelovigen' hun stempel op de C van CDA blijven drukken'. Maar verkeren niet juist de kerken op gespannen voet met het CDA? Vooral de katholieke kerk heeft zich toch duidelijk in het laatste decennium als tegen-cultuur gemanifesteerd, als beweging tegen religieuze vervaging? De priemende vinger van de Haagse dominee Ter Linden tijdens het jubileum-congres ligt nog vers in het geheugen.

De socioloog rekent zich ondertussen als ideoloog te rijk. Zijderveld geeft te gemakkelijk toe aan de verleiding om een recente electorale verschuiving om te munten tot een duurzame sociaal-culturele verandering. Uit onderzoek blijkt echter dat vooral sociaal-economische verwachtingen een grote rol hebben gespeeld bij de omgekeerde doorbraak van 1986 (Zie onder meer Van der Eijk e.a. Verzuiling, issues, kandidaten en ideologie in de verkiezingen van '86 in: Acta Politica, april 1987).

Natuurlijk kan de zuigkracht van het CDA daar niet toe worden herleid. De poging om zakelijkheid en moraal te combineren is een oorspronkelijk oogmerk. De oer-Nederlandse tweeslachtigheid is ook in het zelfbeeld van talloze niet-gelovigen neergeslagen. Aan de oppervlakte van dat schuldgevoel heeft de succesvolle christendemocratie zich gehecht. Daarmee kan iets worden verklaard van de hardnekkige macht in het midden.

In de regionen van de o zo menselijke halve levensleugen, van de gelovige ongelovigen zoekt de cultuursocioloog verder naar groei. Maar voorlopig zijn de verbanden die Zijderveld legt tussen het christelijke erfgoed en het mogelijke partij-kapitaal te instrumenteel om veel 'betrekkelijke buitenstaanders' werkelijk teovertuigen.