BVD-hoofd Docters van Leeuwen: creatief, excentriek en zeerlastig; Zowel geliefd als onuitstaanbaar

Met broekspijpen vol modderspatten bereikten zij het ministerie van binnenlandse zaken, verwonderd nagekeken door een voorbijganger. De zwaarlijvige man die een wollen mutsje als een eierwarmer over zijn hoofd had getrokken en de langere heer waren zojuist, dossiers onderhun arm geklemd, door een bouwterrein gebanjerd.

De een, mr. Arthur Docters van Leeuwen, van 1981 tot 1988 plaatsvervangend directeur-generaal openbare orde en veiligheid bij Binnenlandse Zaken en sindsdien hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), bemerkte niet dat zij het voetpad al enige tijd hadden verlaten. De ander, de Amsterdamse hoofdcommissaris drs. E. Nordholt, weifelde maar kon weinig anders dan volgen. 'Arthur kan zo bezig zijn met een onderwerp, dat zijn omgeving hem geen moer meer interesseert.'

Docters (45) zoals hij zich noemt, volgt zelden gebaande paden. 'Soms lijkt het alsof hij over de wereld gaat', zegt Nordholt. Ambtelijke discussies over de reorganisatie van de rampenbestrijding, de herverdeling van het politiebudget en de politiesterkte of de nieuwe opzet van de BVD voerde Docters langs het Romeinse rijk, de zonnekoning Lodewijk XIV, de zeventiende-eeuwse analytisch filosoof Thomas Hobbes en Kaas van Willem Elsschot. 'Ja, Arthur, we weten wel dat je dat gelezen hebt', zeiden zijn ambtenaren dikwijls, waarop hij bulderde: 'Ja, maar het is wel zo.'

Docters zette de plannen naar zijn hand en bemoeide zich nadrukkelijk met de eindtekst van voorstellen. Oud-ministers en collega-ambtenaren roemen zijn 'scherpe onafhankelijke geest en klare taal', waarmee hij zich zowel geliefd als onuitstaanbaar maakt. 'In mijn vijftienjarige loopbaan als ambtenaar heb ik niemand van deze signatuur meegemaakt', zegt zijn vroegere medewerker en opvolger als plaatsvervangend directeur-generaal, mr. G. N. Roes. 'Hij is ongelooflijk creatief en ongelooflijk lastig. Hij moet zeerhard worden tegengesproken.'

Docters 'wil juist tegenspel', zo merkt prof.dr. U. Rosenthal, hoogleraar bestuurskunde in Leiden en Rotterdam, in de Vereniging voor Bestuurskunde, waarvan Docters voorzitter is. 'Een intellectueel zwaargewicht', oordelen de oud-ministers drs. E. van Thijn, burgemeester van Amsterdam, en H. Wiegel, commissaris van de koningin in Friesland. Wiegel: 'Hij gaat wel eens op een teen staan, maar dat hoort erbij.'

Een verbale kanonnade schuwt Docters allerminst. 'Ik behoor tot het sanguinische type.' In een vergadering van de door hem geleide commissie die zich boog over de politiesterkte, sprak hij bestraffend tot een burgemeester: 'Wat aan mij niet kan worden uitgelegd, wordt door deze commissie niet opgeschreven.' In de ban van zijn gedachten stoort hij zich evenmin aan de ambtelijke etiquette. 'Stop, minister, ik zal het u uitleggen', riep Docters eens in de ministersstaf. Op een servetje tekende hij de oplossing voor een probleem en overhandigde het resultaat, met vastgekleefde broodkruimels, aan de minister; tot groot vermaak en tot ergernis van ambtenaren. Docters zelf loerde uitdrukkingsloos om zich heen.

Zijn corpulentie en uiterlijk groot hoofd met massieve brilleglazen maken hem tot een ondoorgrondelijke en excentrieke verschijning. Een collega: 'Hij ziet eruit als een rare geleerde, die je verwacht aan een of ander college in Engeland, waar hijles geeft in Oosttibetaanse boeddhologie of een ander niet bestaand vak. Dat is heel bedrieglijk.' Volgens Nordholt is hij 'een dikke sensor'. 'Hij kijkt niet alleen, hij voelt ook.'

Docters mag graag grappen over zijn 'familiepostuur van moederskant' horen. Sinds hij op 33-jarige leeftijd een hartaanval kreeg, vermeit hijzich iedere zaterdag op het Haagse strand met een loop van ongeveer tien kilometer. Docters groeide op in 'nette armoede' in een vrijzinnig-protestants milieu te Zeist. Zijn vader, vertegenwoordiger in Sola-bestek, was artistiek begaafd en schilderde portretten. Toen Docterstwaalf jaar was overleed zijn vader en haalde zijn moeder, reuma-patient, kostgangers in huis voor extra inkomen. Na zijn eindexamen gymnasium-B was het vanzelfsprekend dat hij ging studeren.

Tijdens zijn studie Nederlands Recht in Utrecht tussen 1963 en 1969 werdhij lid van de studentenvereniging Unitas. Een jaargenoot, de Amsterdamse antropoloog dr. A. Koster, herinnert zich hem als 'een slimme, dromerige jongen, heel gezellig om een biertje mee te drinken'. Behalve rechtbankverslaggever bij het Utrechts Nieuwsbladwerd Docters redactielid van het studentenblad Vivos Voco. Zijn liefde voor de Nederlandse literatuur spoorde hem aan zelf verhalen te schrijven. Hij publiceerde zeven verhalen in het literaire blad Maatstaf.

Zijn debuut op 20-jarige leeftijd, getiteld Koffie, gaat over een mistroostige kantoorklerk die een hevige seksuele begeerte koestert vooreen tien jaar oudere 'gespierde bruine koffiejuffrouw'. De hoofdpersoon acht zich kansloos, maar belandt toch in haar armen. Deklerk: 'Het was een gevoel of mijn geslachtsdelen er in een greep afgescheurd werden. We moeten wel een fraai gezicht gevormd hebben, zij met haar weke slappe rok en ik bronstige worm tussen haar plots wekeschilferig-bruine benen.'

Docters: 'Geen halve maatregelen. Uitgever Bert Bakker schreef me onlangs dat hij er nog steeds tevreden over is. Ik ook.' Ofschoon hij ook nu 'nog wel eens wat' schrijft, vond hij destijds dat hij overeen 'te klein talent' beschikte en ging hij begin jaren zeventig aan de slag bij het ministerie van financien, als medewerker van de inspectie der rijksfinancien. Zijn grootvader, VVD-wethouder in Wageningen, had al eerder zijn interesse gewekt voor het bestuur. Docters hield zich als 'loopeend' onder meer bezig met de interdepartementale samenwerking.

Ook werd de vrijzinnig-democraat actief in het PvdA-partijbestuur van Alphen aan de Rijn. Na enkele jaren verliet hij de PvdA omdat de partij te veel naar gelijkheid en te weinig naar vrijheid streefde. Hij stapte over naar D66.

Minister Wiegel haalde hem in 1980 naar Binnenlandse Zaken. Wiegel: 'Ikmaakte hem bij Financien mee als iemand die intelligent de zwakke plekken in het betoog van anderen of in een organisatie blootlegt. Ik dacht: het lijkt me beter dat deze man aan mijn kant van de tafel zit.' Docters houdt van 'methodisch' denken. 'De kortste redenering is juister dan de langere', meent hij, geinspireerd door de scheermes-theorie van de veertiende-eeuwse filosoof Willem van Ockham.

Niet iedereen waardeert deze helderheid. Jaren geleden verscheen eenrapport over het nadelig effect van traangas op muizen, waarop Docters tot woede van de politiebonden reageerde: 'Ik wist allang dat het geen geneesmiddel was.' Het Tweede-Kamerlid G. Koffeman (CDA), voorheen voorzitter van de Algemeen Christelijke Politiebond (ACP), vindt hem 'uit op macht en zeer autoritair'. Voorzitter L. van der Linden van de Nederlandse Politiebond (NPB) dronk wel eens een glas met Docters en leerde hem kennen als een 'spijkerharde provocateur'. Docters merkte ooit op:'Ik kom Van der Linden nooit tegen op een politiebureau. Of heb ik niet in de kantine gekeken?'

Koffeman en Van der Linden onderstrepen echter dat hij 'het brein' is achter de nieuwe sterkteverdeling van de politie, een grootscheepse verschuiving van mankracht. Van der Linden: 'Hij heeft vermolmde structuren doorbroken.' Bij de berekening van de sterkte wordt nietmeer gekeken naar het inwonertal, waardoor voorheen op sommige plaatsen te weinig of juist te veel agenten rondliepen, maar naar het werkaanbod. Opvolger Roes: 'Met een vaste conceptie legde hij een lang pad af om de werkdruk te meten.'

Ambtenaren hebben soms moeite met zijn onorthodox gedrag. Desnoods eist Docters zijn medewerkers op in nachtelijke marathonzittingen om zijn theorieen te toetsen. Naar eigen zeggen vertoont hij 'licht-maniakale trekken' bij de analyse, bang in zijn hang naar perfectie iets te missen. Roes: 'Je bent veel tijd kwijt om simpele dingen uit te leggen. Hij luistert niet altijd goed en redeneert vanuit zichzelf.' Het werd ook hem een keer te veel: 'Potverdomme, waarommoet dit om twee uur 's nachts? Ik ben bekaf.' Docters zei onaangedaan: 'Maar we snappen het nu toch.'

Volgens oud-minister Van Thijn was Docters 'te goed' om zeven jaar lang plaatsvervangend directeur-generaal te zijn. Zelf wilde hij graag directeur-generaal worden. Maar minister C. P. van Dijk koos een 'praktijkman', burgemeester mr. I. Opstelten van Delfzijl, wegens de 'kritiek uit het politieveld dat het departement een ivoren toren was'. Als loyaal ambtenaar verborg Docters zijn teleurstelling, in werkelijkheid was hij aangeslagen. Zijn promotie naar de BVD stelde hem alsnog tevreden.

De huidige reorganisatie moet de BVD wapenen tegen 'nieuwe, meer diverse bedreigingen van de democratie'. Het klassieke vijandbeeld van de communistische landen is verdwenen, maar er zijn meer landen of groeperingen die de aandacht vergen; varierend van de technologische spionage door Oosteuropese landen of Libie en Irak, de Surinaamse cocainemafia, de gewelddadige Koerdische partij PKK tot het rechts-extremisme en shi'itisch fundamentalisme.

'De tijd van High Noon, met twee partijen tegenover elkaar, is voorbij. We zitten nu in een schietbioscoop waar steeds plotseling iemand opduikt', zegt Docters. Tussen het terrein van defensie en het politiewerk ligt een groot 'terra incognita' waar de BVD en andere diensten onvoldoende zicht op hebben. Ook criminele organisaties'die de democratie beinvloeden' horen tot dat nieuwe werkgebied. 'Wanneer er twee mannen achter een bureau zitten, en de eenwerkt voor de mafia, en de ander voor de KGB, dan rapporteren wij over beiden, en niet alleen over de KGB-man.'

Een strakker geleide en flexibeler organisatie waarin zestig van de zeshonderd mensen verdwijnen, moet de 'ingeroeste werkwijzen' en 'geslotenheid' van de BVD uitbannen.

Heeft hij nog persoonlijke ambities? Voor het ministerschap wellicht? Docters uit zich behoedzaam: 'Deze functie is al mooier dan waar je op kan rekenen.' Wiegel gnuift: 'Hij zit daar uitstekend. Onze counterparts in het Oostblok zullen alleen al zijn uiterlijk geschikt vinden voor het hoofd van een veiligheidsdienst.'