Stof en as

Bemesten, net als het voeden van kleine kinderen, is geen exacte wetenschap: iedereen doet het anders. Zoals er kinderen zijn die borden vol sla eten en andere die terugdeinzen voor groente, hoe perfect ook gecamoufleerd, zo strekt ook de tuinwereld zich uit tussen twee uitersten: van de geheel organische tuinier, toegewijd zoeker naar het ideale substituut voor turf, tot de gebruiker van uitsluitend chemische kunstmest. Een andere overeenkomst met de eetgewoontes van kinderen is dat het heel moeilijk is om er achter te komen wat je medetuinier doet; het gebeurt allemaal in afzondering en als er ooit iets naar buiten komt is het in een context van zelf-complimentatie: ' Mijn camelia's floreren op theebladeren'. ' Onze Petertje is gewoon gek op rauwe wortelen.'

Ook de samenstelling van de composthoop, de goedkoopste vorm van mest, is geheim; het gebruiken van een anders composthoop, hoe overtuigd men ook mag zijn van de deugden van rottende organische stof, heeft iets beschamends; er zijn teveel associaties met andere, nog intiemere organische afvalprodukten. Ook onbehoorlijk is met te veel aandacht een anders composthoop bestuderen, hoewel het altijd een interessant moment is wanneer je de laatste bocht in de tuin om komt en dan oog in oog staat met de resten van 'seigenaars laatst genoten maaltijden (verse sinaasappelsap, een spiegeleitje, koffie, aardappelen, bloemkool, soupe vichyssoise, een meloen...).

Een andere reden om het chapiter compost met omzichtigheid te benaderen is dat het, hurkend in zijn hoekje in de tuin, bijna magische eigenschappen lijkt te bezitten. Scheikunde lijkt nu eenmaal op toverij, en het beheren van een zo grootschalig chemisch proces in je eigen tuin is niet alleen opwindend maar ook verontrustend. De gedachte dat je er per ongeluk dat ene ingredient op zou gooien dat alle chemische reacties tot staan brengt, werkt al verlammend voor je bent begonnen. Je eerste composthoop starten is als je eerste planten planten: voor iemand die het nooit gedaan heeft is het hele onderwerp gehuld in mysterie, terwijl het voor degene die dat wel heeft allemaal zo eenvoudig lijkt dat de twijfels en angsten van de beginner onbegrijpelijk voor hem zijn.

De tuinboeken waar je je elementaire composthoopkennis uit put zijn zoals gebruikelijk beurtelings te vaag en te overvloedig met praktische details. Ze zijn het er allemaal over eens dat afgedankt plantenmateriaal op de composthoop moet (met uitzondering van altijdgroene bladeren, taai onkruid en door ziekten aangetaste planten); maar wat de andere ingredienten betreft heb ik tot stelregel genomen mij niet te storen aan advies dat niet door ten minste twee autoriteiten wordt gegeven. Voor het eindresultaat maakt dat vermoedelijk weinig uit en het bespaart veel onnodig getob. Soms heffen twee opinies elkaar op: terwijl C. E. Lucas Phillips (in The Small Garden) pleit voor de inhoud van de stofzuigerzak als nuttig ingredient op de composthoop, is de kleine composttentoonstelling die op het ogenblik in het Stadhuis van Leiden wordt gehouden daar falikant tegen. Onthult dit een diepgaand verschil tussen de Engelse en Nederlandse cultuur, of hebben de Britten milieuvriendelijker stof dan de Hollanders?

Dan is er bladaarde. Alsof het niet anaal genoeg was je afval uit te zoeken, schijn ik, afgaande op de beweringen van Lucas Phillips, ook de bladeren te moeten sorteren. Bladaarde moet een eigen hoop hebben, bevattende ' alleen maar eik, beuk of meidoorn... de meeste andere soorten bladeren kun je maar het beste verbranden'. Daar sta je dan wanneer je bomen hebt die dicht tegen elkaar staan, of zoals bij ons permanente wervelwinden in je tuin de gevallen bladeren door elkaar klutsen als in een cocktailshaker. En ik zwijg nog van het probleem vele kubieke meters blad te moeten verbranden in een stadstuin. Hier zien wij een voorbeeld van een geval waar mijn stelregel onverbiddelijk moet worden toegepast: iets dat door maar een auteur gezegd wordt lappen we aan onze laars.

Over compost hadden Margery en Walter Fish, als over zoveel andere zaken, een diepgaand verschil van mening. Zij zag oorspronkelijk het nut niet van planten-as op de composthoop en moest het aanvankelijk onder Walters dwang bewaren; en hij van zijn kant ' maakte groot misbaar over de eierschalen, hij had er zo'n hekel aan en beweerde dat het stompzinnig was zich er mee in te laten terwijl je voor een paar pennies al de kalk kon krijgen die je wilde'. Je ziet hem rood aangelopen de keuken binnenstormen, roepend: ' Nou hebt je 't weer gedaan!'. Tenslotte nam ze haar toevlucht tot haar gebruikelijke tactiek tegenover Walters vele objecten van woede: doorgaan met eierschalen op de comnposthoop te gooien, maar zo fijn verbrijzeld (en vermoedelijk verstopt onder de aubrieta) dat hij het niet merkte.

Lang leve de compost. Er is iets heel bevredigends in die avondlijke wandeling door de tuin met je theebladeren, koffiedik (met papieren filter en al), pisangschillen en eierschalen (nee, niet fijngestampt). Je mikt ze op de hoop, pauseert een ogenblik om het in ogenschouw te nemen en je te verwonderen waarom de berg maar niet hoger wordt. Het duurt zes maanden om compost te maken, en dat is een lange tijd van ongeduld; tegen de tijd dat de zes maanden voorbij waren was ik bijna vergeten dat het tijd was voor het resultaat. En waarachtig: daar, onderin de berg, daar was het: een schone kruimige substantie, waarin niets meer was te herkennen van wat er in was gegaan. Ik voelde me als Geoff Hamilton in Gardeners' World, wanneer hij zijn handen in een emmer compost doopt en het (zo rijk, zo voedzaam) door zijn vingers laat lopen: een mengsel van trots en verbazing dat het werkelijk is gelukt. Er komt een verlangen over je om alles in je hele leven voortaan alleen nog maar organisch te doen.