Reinigingsdirecteuren dreigen nu met milieu-eisen; Huisvuilzak zonder KOMO-keur na bittere strijd toegelaten

Onopgemerkt door de internationale pers, die zich op spanningen elders concentreert, is in Nederland een felle strijd losgebrand tussen de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en de Nederlandse Vereniging van Reinigingsdirecteuren. Hun Koeweit is de vuilniszak.

Alleen de chronologie kan licht in de loopgraven werpen en veel moet ongenoemd blijven om het overzicht te bewaren. Terug dus naar het begin van de jaren zeventig: De consument is geleerd zijn vuil voortaan in een plastic zak op straat te zetten. Helaas kiest hij daarvoor vaak een zak die te makkelijk openscheurt of die doorzichtig is. Weerzinwekkend is dat. De Nederlandse Vereniging van Reinigingsdirecteuren (NVRD) gaat orde in de woekering scheppen en verzoekt de stichting KOMO een zogeheten beoordelingsrichtlijn (BRL) op te stellen voor zakken die een 'KOMO-keur' moeten krijgen.

Een werkgroepje (waarin ook de industrie is vertegenwoordigd) gaat na of dat wel zin heeft en daarna stelt een breed 'college van deskundigen' waarin bedrijfsleven, overheid, consumenten en de keurende instantie zijn bijeengebracht, de gevraagde richtlijn op. In dit geval was een en ander wat gecompliceerder omdat gelijk maar, in samenwerking met het Normalisatie-instituut, een NEN-norm werd opgesteld. Dan zit je opeens met een 'norm-subcommissie huisvuilzakken' in plaats van een 'college van deskundigen'.

In 1975 verscheen norm NEN 7021. Een heel verhaal met als essentie dat alleen zakken van LDPE (lage-dichtheid-polyetheen, hier gefabriceerd door DSM en Dow) een KOMO-keur konden krijgen, dat ze minstens 0,055 millimeter dik moesten zijn, dat de kogelvalwaarde (penetratieweerstand) 90 gram moest bedragen en de doorscheurweerstand 1,5 newton. Vreemd! Waarom zou je de dikte voorschrijven als scheur- en penetratieweerstamd al zijn vastgelegd? Een kniesoor die daar op lette.

Inmiddels is het uitvoerende ('certificerende') instituut voor het KOMO-keur het instituut KIWA geworden. De stichting KOMO bestaat niet meer en de stichting Bouwkwaliteit 'beheert' het KOMO-keur. Wie wil mag hier afhaken.

Een achttal fabrikanten vroeg en kreeg een KOMO-keur. Vier buitenlandse en vier Nederlandse: Wavin (50 procent Shell) in Hardenberg, Dutch Plastic Industry (ook Wavin) in Helmond, Fardem (DSM) in Edam en Verpakkingsindustrie Stenpher. De zakkenfabrikant die certificering vraagt krijgt te maken met een forse afdracht aan de KIWA (hoewel die zich een not-for-profit organisatie noemt) en frequente controles.

Maar wat moet dat moet, de fabrikanten wilden een KOMO-keur, de reinigingsdiensten schreven, op advies van de NVRD, KOMO voor en de burger kocht het nog ook.

Het werd stil in zakkenland. Tot halverwege de jaren tachtig. Toen verschenen er nieuwe materialen die de fabrikage van dunnere zakken mogelijk maakten. Het chemieconcern Hoechst propageerde het gebruik van HDPE (hoge-dichtheid-polyetheen) voor de zakken. HDPE is chemisch gelijk aan LDPE maar heeft, in folie verwerkt, betere eigenschappen. HDPE-zakken zijn al gauw half zo dik als LDPE-zakken. En half zo zwaar. De tot dan min of meer slapende commissie van deskundigen vroeg zich af of er niet nieuwe richtlijnen moesten komen zodat ook HDPE-zakken een KOMO-keur konden krijgen. (Nu ging dat niet omdat ze te dun waren en niet uit LDPE bestonden.) Het is zeker dat Hoechst regelmatig heeft aangedrongen op een dergelijke heroverweging, maar het staat niet vast of Hoechst dat voldoende officieel heeft gedaan, de KIWA denkt van niet.

Zeker is dat de KIWA zelf vanaf het begin een heldere afkeer had van de nieuwe zak. Want het geval wil dat de fabrikanten van de KOMO-gekeurde zakken er in de loop van de jaren in waren geslaagd steeds meer regeneraat-plastic in hun zakkenfolie op te nemen. Marktleider Wavin maakt de zakken zelfs voor 100 pocent uit teruggewonnen plastic. Anderen komen zeker tot 80 procent, zegt de KIWA. Dat past in modern milieubeleid. De vermaledijde HDPE-zak bestaat voor 100 procent uit virgin-materiaal, uitsluitend nieuw plastic.

Vast staat dat de vereniging van huisvrouwen, in het 'college' vertegenwoordigd door het IVHA, juist sympathie had voor de niewe HDPE-zak omdat die zo dun was en half zo zwaar en toch zeker zo sterk. Het IVHA heeft vanaf het begin geprobeerd de nieuwe zak op de een of andere wijze toegelaten te krijgen. Laten we een praktijktest houden, drong het IVHA aan.

Toen drie jaar geleden nog steeds niets was ondernomen om de HDPE-zak tegemoet te komen verliet het IVHA het college. De traagheid waarmee op nieuwe ontwikkelingen werd gereageerd was onaanvaardbaar. Daarbij vond het IVHA het lichtelijk bezopen dat een huisvuilzak een keurmerk voor bouwmaterialen (het KOMO-merk) moest krijgen, al zei men dat gisteren anders.

In november 1988 ontving Hoechst AG in Frankfurt van de secretaris van het college van deskundigen het bericht dat het geen zin had om aan een nieuwe 'Beurteilungsgrundlage' te beginnen. Een nieuw KOMO-keur voor eenzelfde produkt zou maar verwarring werken. HDPE was bovendien duur en minder goed te recyclen. De 'Arbeitsgruppe HDPE Hausmullsacke' werd aufgelost. Hochachtungsvoll, de secretaris.

Dat was niet zo leuk voor de onderneming KIVO in Volendam die net begonnen was HDPE-vuilniszakken te fabriceren en Eurobag Import/Export in Scherpenzeel die de nieuwe zakken onder de naam DINO op de markt ging brengen. De reinigingsdirecteuren bleven de KOMO-zak voorschrijven, vuilnisdiensten lieten dus andere zakken staan en de DINO-zak kreeg geen kans. Terwijl hij lichter was en goedkoper bovendien.

Gelukkig waren daar nog de nijdige huisvrouwen, of beter gezegd was daar het IVHA. Ook het IVHA is door de Raad voor de Certificatie erkend als keuringsinstituut. De IVHA kon toch zelf een keurmerk (het Groenzegel) uitdelen? Zo gezegd, zo gedaan. Keuringseisen waren, in samenwerking met TNO, snel opgesteld. Men schrapte de minimum-dikte eis en stelde andere voorwaarden aan scheurweerstand en kogelvalwaarde. Het IVHA bracht een relatie aan tussen die twee: een zak die een grote weerstand heeft tegen kogels hoeft geen hoge scheurweerstand te hebben hij kan immers pas scheuren als er een gat in is gestoken. Logisch. En leuk is ook dat de DINO als eerste (en enige) aan het IVHA-keur voldeed, KIVO had ze ter keuring aangeboden.

Hoera voor KIVO. Maar mooi dat de vuilnisman de DINO nog steeds laat staan: de reinigingsdirecteuren blijven alleen de KOMO adviseren. Ook logisch, zegt KIWA, want zij hebben destijds zelf om een KOMO-keur gevraagd, ze knijpen niet graag hun eigen kindje dood. Pijnlijk is dat Albert Heijn pas DINO's wil verkopen als zekerheid over de afzet bestaat.

Zo staat het nu, met dien verstande dat de directie van Eurobag in de Telegraaf het vermoeden uitsprak dat DINO door een kartel van industrieen, met een meerderheid in het 'college', wordt tegengehouden, een bewering die zelfs fabrikant KIVO ongelukkig vindt. In feite heeft, zegt KIWA, alleen een werkgroep van Hoechst, DSM, Wavin en KIWA over de zaak vergaderd. En als Hoechst officieel om een nieuwe richtlijn vraagt kan die er komen, al dreigt er een probleem: het ministerie van VROM dringt er op aan dat voortaan ook milieu-eisen in KOMO-richtlijnen worden opgenomen.

Probleem? Ha, KIVO en Eurobag menen dat een echt secure 'eco-balans', van HDPE-produktie tot stort of verbranding, juist in het voordeel van HDPE zal uitvallen. 'Wij hebben alle cijfers.'

Laatste nieuws: gistermiddag hebben de reinigingsdirecteuren, in vergadering te Utrecht bijeen, besloten voortaan geen voorkeur voor KOMO of IVHA meer uit te spreken maar in de toekomst milieuaspecten zwaar te laten wegen. KIVO had geen fut meer voor vreugde.

    • Karel Knip