Positie chef-dirigent Concertgebouworkest voor het eerst ter discussie; Van euforie over Chailly is weinig over

Het Koninklijk Concertgebouworkest viert vanavond zijn 102-jarig bestaan met een benefiet-gala, waarvan de opbrengst is bestemd voor het orkest, dat al jaren klaagt over te geringe salarissen en teruglopende subsidies. Wat dat betreft is in de kunsttempel aan de Amsterdamse Van Baerlestraat nog alles bij het oude.

Nieuw is een serieuze discussie in het orkest over de positie van de chef-dirigent, een uniek verschijnsel bij dit onaantastbare instituut dat in de eerste eeuw van zijn bestaan slechts vier chef-dirigenten kende. Wat is er dan aan de hand met Ricardo Chailly? Het aanvankelijke brede enthousiasme over de nieuwe chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest lijkt vijf jaar na de aankondiging van zijn benoeming en twee jaar na zijn officiele aantreden op 1 september 1988 geheel te zijn verwaterd. De algemene euforie over de verfrissende en energieke aanpak van Chailly is her en der omgeslagen in ongeloof en verbazing over een vaak al te opzichtige en hardhandige aanpak.

Het orkestbestuur wil volgende maand een beslissing nemen over verlenging van het contract met Chailly. Maar voor een aantal orkestleden is het de vraag of het voor het Concertgebouworkest artistiek verantwoord is, verder te gaan onder leiding van een dirigent die in een belangrijk deel van het muziekrepertoire onvoldoende uitzonderlijke kwaliteiten toont. Een drukbezochte vergadering van orkestleden over de toekomst van het orkest was niet genoeg om alles te bespreken en de beraadslagingen worden volgende week voortgezet.

Internationale pers

De discussie over Chailly is verhevigd na de tournee van meer dan een maand die het orkest in september en begin oktober maakte langs Luzern, Brussel, Londen en een groot aantal steden in de Verenigde Staten. De reacties in de buitenlandse pers waren vaak lovend, maar soms ook kritisch en recensenten waren zelfs op wezenlijke punten teleurgesteld. De lof was meestal voor het orkest zelf, de serieuze kritiek meestal voor Chailly. En vooral die laatste reacties weerspiegelden de veelal verbaasde Nederlandse commentaren op de concerten die het Concertgebouworkest in Amsterdam ter voorbereiding van de tournee gaf.

Bij een van die concerten kon het Concertgebouworkest in eigen huis zijn reputatie op het gebied van de romantische en de laat-romantische muziek niet waarmaken. De Vierde symfonie van Schumann werd schetsmatig, zwaar, pompeus en log uitgevoerd. En in Mahlers Das Lied von der Erde bleek dat Chailly weinig affiniteit heeft met deze componist, die nu al bijna negentig jaar behoort tot de traditie van het orkest en van de Amsterdamse chef-dirigenten: Willem Mengelberg, Eduard van Beinum en Bernard Haitink waren begenadigde Mahlerinterpreten.

De criticus van de Chicago Tribune verliet na Das Lied 'onaangedaan' de zaal. En zijn collega van The New York Times vond dat Chailly erop uit was Schumanns Vierde voorgoed te begraven: 'Het was hartverwarmend te bemerken dat het Concertgebouworkest een schitterend instrument blijft, maar het was ontmoedigend mee te maken dat het zo wordt gebruikt'.

Ook Brahms, aanvankelijk interessant met een enerverende Eerste, is de laatste tijd bij Chailly een probleem: onevenwichtig, met in de Vierde een opzichtige hang naar extremen in een opgefokte sfeer, zoals die bleek bij het eerste Amsterdamse concert na de tournee. Concertmeester Viktor Liberman, die vond dat Brahms niet langer zo mocht worden gespeeld, nam daarna met Chailly de partituur nog eens zorgvuldig door, wat resulteerde in een veel aanvaardbaarder aanpak.

Ook de wereldberoemde klank van het orkest is met Chailly op het podium soms niet meer in volle glorie te horen. Chailly is zo uit op helderheid en brille dat hij te weinig aandacht schenkt aan de warme, diepdonkere en sonore ondertonen, waardoor de hoge noten gaan overheersenen, en al te luide passages zelfs af en toe een blikkerige expressie krijgen.

Bij orkestleden heerst ook wel ergernis over de persoonlijkheid van de Italiaan Chailly: op het oog zeer sociaal maar in wezen heel vormelijk en autoritair. De 37-jarige Chailly die al drieentwintig jaar dirigeert voelt zich echt een maestro en stelt prijs op eerbied en afstandelijkheid, ook tijdens tournees.

Haitink

Was dan vroeger alles perfect en is nu alles mis? Natuurlijk niet. Er is bij een aantal orkestleden altijd wel enige onvrede over de chef en ook de concerten van Haitink waren niet vijfentwintig jaar louter hoogtepunten. Haitink, die het vak in de praktijk bij een wereldberoemd orkest moest leren, had zijn beperkingen. Zijn Mozart was bij voorbeeld verre van ideaal, later liet hij die over aan Harnoncourt. Toen hij opera's in Glyndebourne begon te drigeren ontdekte hij naar eigen zeggen pas de ware geest van Mozart.

Haitink had ook weinig affiniteit met de twintigste eeuwse muziek. En toen hij Sjostakovitsj ging uitvoeren, deed hij dat vooral in Londen en veel te weinig in Amsterdam. Het typisch eigentijdse repertoire had al helemaal zijn liefde niet en de concerten in de moderne C-serie waren meestal hinderlijke bijeenkomsten, waarbij op regenachtige en winterse zondagmiddagen enkele honderden toehoorders in een vrijwel lege Grote Zaal ver uit elkaar zaten en na afloop van het concert de verkleumde handen weer wat warm klapten.

Andere sfeer

De onschatbare waarde van Chailly is dat hij aan die wantoestand een radicaal einde heeft gemaakt. Zijn eerste Amsterdamse optreden in 1985 was tijdens zo'n uitgestorven C-serieconcert. Dat trauma heeft Chailly kordaat bestreden door een geheel andere sfeer te scheppen, door zelf veel concerten te dirigeren en de zaal vol te krijgen met een programmering, waarbij de nieuwste stukken worden gecombineerd met 'klassiek' twintigste eeuws repertoire. En Chailly voert zo'n nieuw stuk dan niet een keer uit, maar vaker. Zo werd in het vorige seizoen Keer van Guus Janssen drie keer uitgevoerd voor een geheel gevulde Grote Zaal. En Chailly bezoekt soms ook andere concertzalen, zoals De IJsbreker en Paradiso, als daar hedendaagse muziek klinkt.

Aandacht

Met die enthousiaste aandacht voor het eigentijdse repertoire, zoals die bijvoorbeeld ook blijkt uit de uitvoering van Berio's Rendering tijdens de laatste tournee, en met zijn voortdurende pleidooien voor Wagenaar, zet Chailly een bijna vergeten traditie voort uit de tijd van Mengelberg: veel Nederlandse muziek en veel eigentijdse muziek.

Chailly is zich zeer bewust van de last van de vooroorlogse Amsterdamse tradities, zo bleek ook uit een interview met hem in deze krant, ter gelegenheid van zijn aantreden bij het Concertgebouworkest. Maar de tijden zijn veranderd en nergens is een chef-dirigent nog een autoriteit die, zoals Mengelberg, alle soorten muziek uit twee eeuwen aankon: van Bach tot Bartok.

Haitink heeft de Matthaus Passion al nooit gedaan en ook op andere gebieden ontstaan steeds meer specialisaties. Door de platenindustrie is het publiek meer dan ooit verwend met topkwaliteit uit alle werelddelen en de cd maakt van elke huiskamer bijna een concertzaal.

Als Chailly zichzelf zou gunnen om vooral te excelleren in hetgeen hij werkelijk goed beheerst, en voor het overige repertoire de meest competente gastdirigenten zou aantrekken, dan zou het Koninklijk Concertgebouworkest zich in overeenstemming met de traditie kunnen vernieuwen.