Niet alleen voor de anderen

TWINTIG JAAR GELEDEN werd in de Tweede Kamer openlijk geklaagd over de 'pijnlijke onevenredigheid' tussen de zorg en de tijd die wordt besteed aan de voorbereiding, behandeling en aanvaarding van internationale verdragen en het gemak waarmee een beroep op dergelijke conventies wordt afgewezen. De zorg betrof met name het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat maar niet wilde doorbreken in de Nederlandse rechtspleging. Dat was volgens het geciteerde Kamerlid (inmiddels oud-parlementarier) Roethof slechts te verklaren uit 'een geestesgesteldheid die meent dat het in ons land met die grondrechten wel goed zit en dat de verplichtingen blijkbaar alleen zijn voor andere landen'.

Hoe hangt deze vlag er bij nu het zondag veertig jaar geleden is dat het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens in Rome werd ondertekend? Nederland is sinds 1970 een paar keer gevoelig op het matje geroepen in Straatsburg, waar de Commissie en het Hof zetelen die waken over naleving van de Europese mensenrechten. Dat gebeurde op gidsgebieden van de rechtsstaat als de krankzinnigenwetgeving, het militair tuchtrecht, de tijd dat arrestanten mogen worden vastgehouden zonder rechterlijk bevel en de anonieme getuige. In eigen land heeft de Hoge Raad dat vreemde verdrag als koevoet gebruikt om familierechtelijke betrekkingen open te breken. Het verdrag is er overduidelijk niet meer alleen voor de anderen.

HET VERDRAG voor de rechten van de mens heeft zichzelf zo goed bewezen dat het zelfs onder zijn eigen succes dreigt te bezwijken. De Straatsburgse organen zijn overbelast, de wachttijden rijzen de pan uit. De noodzaak daaraan iets te doen en met name meer te investeren in de toerusting van Hof en Commissie wordt des te nijpender nu zich een aantal Oosteuropese staten, met Hongarije voorop, aandienen. Op den duur zal niet te ontkomen zijn aan een herziening van het hele toezichtmechanisme. Maar dat rechtvaardigt nog niet het getreuzel met verruiming van het Straatsburgse budget, dat dan ook zeker restanten van ergernis bij nationale regeringen verraadt over het wapenfeit van het Europese verdrag dat staten door gewone burgers in het internationale beklaagdenbankje kunnen worden gedaagd.

De komst van de Oosteuropeanen illustreert, voorzover nodig, hoe kortzichtig een dergelijke wrevel is. Juist nu blijkt hoe sterk de pragmatische rechtvaardiging van de vrijheid is: eerbied voor de mensenrechten legt een steviger basis voor sociale en economische vooruitgang dan het al dan niet vermomde staatsraison.

DAT IS overigens ook nog steeds de boodschap voor een net land als Nederland, al ziet de uitdaging er in vergelijking met de enorme inhaaloperatie waarvoor de Oosteuropese staten staan, wel wat anders uit. Verraderlijker ook, want de bedreiging van de burgerlijke vrijheden gaat tegenwoordig vaak gehuld in de verstrekking van uitkeringen. Die moeten gecontroleerd worden, zo benadrukte vice-premier Kok dezer dagen nog met klem van redenen. De verhouding tussen doel en middelen dreigt echter nogal eens te worden versluierd. Methoden van de 'snuffelstaat' worden met verontrustende vanzelfsprekendheid vergoelijkt met een beroep op de verzorgingsstaat. Maar waar blijft de rechtsstaat?

De strafrechtspleging van oudsher ijkpunt van het rechtsgehalte van een samenleving vormt steeds minder een baken. Er is sprake van een sluipende uitholling van rechtswaarborgen, gesymboliseerd door het ongenoegen over de zware gevolgen van wat ten onrechte wordt afgedaan als 'vormfouten'. Daarbij dreigt men te miskennen dat 'de geschiedenis van de vrijheid grotendeels de geschiedenis is van het in acht nemen van procedurele waarborgen', zoals de grote Amerikaanse rechter Frankfurter in 1943 zei. Ook geen makkelijke tijd.

Het is op dit ogenblik in dit land aanvaard 'beleid' een verdachte langer in voorlopige hechtenis te houden alleen omdat de rechtbank geen zittingsdag vrij heeft. Men kan hier worden veroordeeld zonder ooit de bewijsvoering op schrift te krijgen. Dit soort schrille details onderstrepen dat de opdracht tot zelfonderzoek, die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens behelst, na veertig jaar nog springlevend is.