NEDERLAND EEN TROUWE, GEEN SLAAFSE BONDGENOOT

Tja, dat moet voor iemand die van 1972 tot 1987 lid van de Communistische Partij Nederland is geweest, een hele ontdekking zijn geweest: Luns die tegen de Amerikanen was, kapitalisten die tegen een koloniale oorlog waren, en Amerika dat de 'bevrijding' van Oost-Europa te hard van stapel vond gaan. Ik spreek hier over Duco Hellema, die deze 'ontdekkingen' deed tijdens zijn onderzoek over de Nederlandse houding ten aanzien van de Hongaarse revolutie en de Suezcrisis, een onderzoek dat uitmondde in een universitair proefschrift, dat hij de titel 1956 gaf, naar het jaar waarin beide gebeurtenissen zich, vrijwel gelijktijdig, afspeelden. (De mededeling omtrent zijn lidmaatschap van de CPN heb ik niet aan dat boek ontleend, maar aan een interview met hem dat in de Volkskrant van 30 augustus jl. stond.)

Inderdaad is 1956 een belangrijk jaar in de naoorlogse geschiedenis geweest, een soort scharnierjaar. De Sovjet-Unie kon een Hongaarse poging zich aan de Russische greep te ontworstelen, de kop indrukken zonder dat het Westen de Hongaren te hulp kwam (en kreeg aldus de zekerheid dat zij in Oost-Europa haar gang kon gaan dat zou tot 1989 zo blijven), en de Verenigde Staten dwongen Engeland en Frankrijk een onafhankelijk ondernomen militaire actie tegen Egypte te staken. Daarmee toonden de VS dat er grenzen waren aan hun solidariteit met hun bondgenoten waaruit Engeland en Frankrijk radicaal verschillende conclusies zouden trekken: de een dat het nooit meer iets belangrijks zou moeten ondernemen zonder zich eerst van Amerika's instemming, zo niet steun, te hebben vergewist; de ander dat het zich de middelen moest verschaffen om een onafhankelijk beleid te kunnen voeren. Dat zou ten slotte leiden tot 's lands uittreding uit de militaire organisatie van de NAVO.

Een cruciaal jaar dus ook voor Nederland, dat sinds 1949 trouw lid van de NAVO en trouw bondgenoot van de Verenigde Staten was geweest. Welke kant moest het in het geschil om het Suezkanaal, dat Nasser had genationaliseerd, kiezen? Daar was weinig twijfel over: een 'solide maatschappelijke consensus', aldus Hellema, koos de kant van Engeland en Frankrijk en dus niet van de Verenigde Staten.

CONCLUSIES

Moet daaruit geconcludeerd worden dat het Nederlandse beleid zoals dat in 1956 terzake van Suez werd gevoerd, ' in het geheel niet strookte met de gangbare opvatting, als zou Nederland in de jaren vijftig een trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten zijn geweest' ? Hellema trekt inderdaad die conclusie. Ja, het ' is de bedoeling van dit boek aan te tonen dat de gangbare opvattingen over de naoorlogse Nederlandse buitenlandse politiek, althans voor wat betreft de jaren vijftig, onjuist zijn'.

Nu, het hangt er maar van af bij wie die opvattingen gangbaar zijn. Bij de kenners van het Nederlandse buitenlandse beleid? Of bij een linksige spraakmakende gemeente, om niet te spreken van de CPN, die nooit de moeite heeft genomen haar vooroordelen en sjablones te toetsen aan de feiten en aldus in haar eigen mythologie is gaan geloven? Bij even nadenken zou het haar bijvoorbeeld toch moeten hebben getroffen dat de serviliteit ten opzichte van Amerika, waarvan zij een man als Luns beschuldigt, niet goed klopt met de verwijten die hij datzelfde Amerika maakte wegens zijn houding inzake de Indonesische kwestie en de kwestie-Nieuw-Guinea? Maar van nadenken houdt die gemeente niet.

Het moet tot Hellema's eer gezegd worden dat hij niet bij die sjablones en vooroordelen is blijven stilstaan. Hij is verrast door wat hij in zijn onderzoek heeft gevonden en is op zoek gegaan naar verklaringen. De vraag is nu of die verklaringen juist zijn. Het antwoord is: nee. En de oorzaak van die fout ligt al heel in het begin, namelijk in de interpretatie van trouw. De gangbare opvatting is, zegt Hellema, dat Nederland, althans in de jaren vijftig, een trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten was. Ik, Hellema, heb ontdekt dat dit niet zo was: ' Hoewel de crises van 1956 een dieptepunt vormden in de Koude Oorlog, stelde Nederland zich op dat cruciale moment niet achter de leider van het Atlantisch bondgenootschap op.' Ons land was dus geen trouwe bondgenoot. De fout die Hellema hier maakt, is dat hij trouw met slaafsheid vereenzelvigt. Maar iemand kan trouw aan een ander zijn en toch met hem van mening verschillen, en dat was met Nederland in 1956 het geval. Bovendien was Nederland in de Suezcrisis helemaal niet tot trouw aan de Verenigde Staten verplicht, want Suez viel buiten de bondgenootschappelijke verplichtingen (ik laat hier in het midden of Nederland, door in die crisis niet de zijde van de Verenigde Staten te kiezen, de juiste keus heeft gedaan).

KRAS

Kortom, Nederland was, onder Luns, helemaal niet zo'n slaafse bondgenoot van de Verenigde Staten als een zekere mythologie wil. Zeker, Suez was een kras voorbeeld van Nederlandse zelfstandigheid ten opzichte van de Verenigde Staten. Maar ook later heeft Nederland en niet alleen in de kwestie Nieuw-Guinea! standpunten ingenomen die Washington niet direct behaagden. Dr. H. N. Boon, voormalig permanent vertegenwoordiger bij de NAVO, geeft daar voorbeelden van in zijn bespreking van Van Stadens bijna klassieke boek Een trouwe bondgenoot (in de Internationale Spectator van 22 december 1974). Zo was ' de opstelling van Nederland ten opzichte van de Multilateral Force (MLF), welk project in het begin met grote aandrang door de Verenigde Staten naar voren werd gebracht, zeer aarzelend', en ervoer de Amerikaanse onderhandelingsdelegatie ' de geringe medewerking en de zeer kritische instelling van Nederland als uiterst hinderlijk'. ' Nog minder positief', aldus dr. Boon, ' was de Nederlandse houding ten opzichte van de voorstellen van de Amerikaanse minister van defensie McNamara voor de instelling van een Nuclear Planning Group met beperkte samenstelling.'

Dat Hellema deze voorbeelden niet noemt, is begrijpelijk, want zij vielen later dan in 1956. Niettemin zijn ze een extra aanwijzing dat Luns niet de loopjongen van de Amerikanen was die menigeen zo graag in hem ziet. Het is jammer dat dr. Boon, die, zoals Hellema meedeelt, althans een deel van zijn boek gelezen heeft en er instemming mee heeft betuigd, de schrijver niet op dit wijdere perspectief heeft gewezen. Overigens is het merkwaardig dat Hellema, blijkens het notenapparaat, wel met Luns en Boon heeft gesproken, maar niet met mr. S. J. baron van Tuyll van Serooskerken, toen secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken en door Luns zijn 'vertrouweling' genoemd wat Boon, die toen trouwens verder van het vuur, namelijk in Rome, zat, bepaald niet was.

Maar terug naar 1956. Waarom was Nederland inzake Suez niet slaafs of, zoals Hellema wil, trouw jegens de Verenigde Staten? De verklaring die Hellema geeft, overtuigt niet. ' Koloniale verbittering en frustratie stonden een realistische en creatieve oordeelvorming in de weg, ' schrijft Hellema, die hier de taal van de gestaalde kaders inruilt voor die van de vormingswerker want wat is creatieve oordeelvorming?. ' De chauvinistische, koloniale sentimenten bleken in Den Haag aanzienlijk sterker dan de Atlantisch-georienteerde realiteitszin' van de 'BZ-professionals'. ' De Nederlandse politiek inzake de Suezcrisis werd, evenals de Britse, ingegeven door koloniale sentimenten.' Later blijkt dat zij daardoor zelfs werd 'beheerst'. Ja, ' het Nederlandse Suezbeleid was ontegenzeggelijk een uiting van koloniaal conservatisme'.

Dat gaat misschien allemaal op voor Luns, die inderdaad geobsedeerd was door het verlies van Nederlands-Indie en door Soekarno als bedreiger van wat er nog restte aan Nederlandse belangen in Oost-Azie, en vreesde dat een toegeven aan Nasser Soekarno grotelijks zou aanmoedigen. Maar van de Tweede Kamer, die, afgezien van CPN en PSP, het Nederlandse beleid steunde, kan toch moeilijk beweerd worden dat zij, in haar geheel, beheerst werd door een ' verbeten, conservatieve (...), met krachtige koloniale sentimenten gevulde consensus'. Voor de PvdA, regeringspartij, gold dit zeker niet. Drees' afkeer van Soekarno was niet gebaseerd op koloniale sentimenten, maar op het feit dat deze de akkoorden van 1949 had geschonden. In Nasser zag hij, terecht of ten onrechte, een soort Soekarno.

GEEN MUNCHEN

Zeker, die 'koloniale sentimenten' een veel te weinig precieze term overigens zullen een rol, zelfs de belangrijkste rol, bij sommigen vooral bij Luns hebben gespeeld, maar de 'solide maatschappelijke consensus' die Hellema constateert, werd toch voornamelijk door andere motieven bepaald. Hellema noemt zo'n motief een keer: ' Geen 'Munchenpolitiek': de Nederlandse bladen waren het erover eens dat het Westen de nationalisatie van de (Suez)kanaalmaatschappij niet voetstoots kon accepteren.' De herinnering aan Munchen 1938 lag nog vers in het geheugen van de beleids- en opiniemakers van 1956. De les daarvan was dat voor een dictator of usurpator (als hoedanig Nasser werd gezien) niet mocht worden gecapituleerd

Of die vergelijking met Hitler nu juist was of niet zij werd algemeen gemaakt en beheerste de consensus veel meer dan de 'koloniale sentimenten'. (Overigens was die consensus niet zo groot als Hellema doet voorkomen. Niet alleen het Algemeen Handelsblad onttrok zich eraan, maar ook rechtsgeleerden als Roling waren luid in hun protesten tegen de militaire actie tegen Egypte, en, zoals ik elders al memoreerde, het grootste deel van de redactie buitenland van de Nieuwe Rotterdamse Courant was ertegen, wat de tegenstrijdigheid in de commentaren in die krant, die Hellema signaleert, verklaart.)

De Suezcrisis viel grotendeels samen met de crisis in Polen en Hongarije, die zich in het laatste land tot een opstand zou ontwikkelen. Een verband tussen beide crises was er nauwelijks. Het is niet aan te nemen dat het Westen de Hongaren wel te hulp zou zijn gekomen als het niet met zichzelf overhoop had gelegen om Suez. Op z'n hoogst hebben de Fransen en Engelsen en, van hun kant, de Russen wat de timing van hun acties betreft gebruik gemaakt van elkaars moeilijkheden. Het is daarom enigszins oneigenlijk in een wetenschappelijke studie beide crises, waarvan de samenloop toevallig was, bijeen te brengen. De verschillen tussen het Nederlandse en het Amerikaanse beleid inzake Hongarije waren ook niet zo principieel als inzake Suez. In Washington bestond er nog een zeker begrip voor de Russische wens enige invloed in Oost-Europa te behouden en vreesde men dat de zaak in Hongarije uit de hand zou lopen (wat dan ook zou gebeuren), terwijl in Den Haag een 'maximalistische optiek' heerste: zelfs 'nationale communisten', zoals Gomulka Imre Nagy, werden gewantrouwd. Maar zelfs Den Haag heeft, voor zover bekend, nooit gepleit voor gewapende interventie in Hongarije.

MORALISME

Hellema meent dat bestudering van het Suezbeleid niet alleen de mythe van Nederland als trouwe (hij bedoelt: slaafse) bondgenoot doorprikt, maar ook de veronderstelling weerlegt dat ' de Nederlandse buitenlandse politiek moralistisch en legalistisch van karakter zou zijn'. De Indonesische kwestie, zegt hij, bracht Nederland al ' in ernstig conflict met de Verenigde Naties, en dat zou men op grond van de fraai klinkende tradities als legalisme en internationalisme niet verwachten'. En in de Suezcrisis ' gaven minister Luns alsook andere Haagse politici blijk van een groot wantrouwen ten opzichte van de Verenigde Naties'. ' Het Nederlandse Suezbeleid werd (dus) geenszins gestuurd door legalistisch moralisme.' Dat kan zo zijn (en bij Luns zal dat zeker het geval zijn geweest), maar zijn de Verenigde Naties het hoogste gerechtshof en het hoogste morele gezag? En het Brits-Franse optreden kan ook als een poging tot rechtshandhaving geconstrueerd worden.

Op de laatste bladzijden van zijn proefschrift gaat Hellema zich aan speculaties te buiten. ' Wellicht ging er (...) er van het door de Suezcrisis opgewekte koloniale conservatisme een stimulerende werking uit op het streven naar Europese integratie en mogelijk zelfs een versterking van het klein-Europese karakter daarvan.' Nu, bij Luns in elk geval niet, want die zou in het begin van de jaren zestig De Gaulles Politieke Unie torpederen, juist wegens haar klein-Europese karakter en ook omdat hij vreesde dat die Politieke Unie een anti-Amerikaans blok zou worden. Voor Nederlands veiligheid achtte hij de Amerikaanse bescherming een absolute voorwaarde, maar dat sloot, in zijn ogen, onenigheid met de Verenigde Staten niet noodzakelijkerwijs uit. Dus wel trouw, maar niet slaafs bondgenoot.

Ook Hellema's eerdere stelling dat ' de in de Suezcrisis tot uitdrukking komende Amerikaans-Europese fricties' de 'werkelijke oorzaak' vormden waarom de Kamer de plannen tot nuclearisering van de Nederlandse strijdkrachten 'probleemloos' besloot goed te keuren, lijkt me boud. Dan zou Nederland toch zeker geen Amerikaanse atoomwapens hebben toegelaten? En tegen een Europees atoomwapen is Nederland van het begin af aan scherp gekant geweest.

Ondanks mijn bezwaren tegen Hellema's interpretatie van het Nederlandse beleid en de Nederlandse consensus in 1956 ben ik van mening dat hij met zijn proefschrift ons een dienst heeft bewezen, en wel voornamelijk door bepaalde langzamerhand ingeroeste mythes door te prikken. Dat hij ze heeft vervangen door verklaringen die, op hun beurt, mythes kunnen worden, en door termen die meer suggestief dan precies zijn (zoals kolonialisme, conservatisme, chauvinisme), is niet zo erg. Geschiedenis is een debat zonder einde.

Resten nog een paar vragen en opmerkingen. Waarom moet een verklaring van Stikker in de Tweede Kamer in het Engels geciteerd worden? Wat is het verschil tussen de 'hegemoniale Trumanpolitiek' en Eisenhowers 'behoudzuchtige, machtsrealistische' politiek, aangenomen dat die termen uberhaupt iets betekenen? Hoe kan de Nederlandse gezant in Boedapest verslag doen van een bespreking met zijn Westduitse ambtgenoot terwijl de Bondsrepubliek, zoals een bladzij eerder wordt vermeld, geen relaties met Hongarije onderhield? Ten slotte: de Nederlandse buitenlands-politieke traditie was niet neutralistisch (een term van na de oorlog), maar neutraal - en dat is een groot verschil. En, helemaal ten slotte, het is niet MacMillan, maar Macmillan; en niet Star Busman, maar Star Busmann.