LUI

'Ik ben lui', zei een politicus tegen me, 'maar ik heb er de tijd niet voor.'

Zo had ik het nooit bekeken maar het kwam me bekend voor. Ook ik mag gaarne niets doen, maar het (beloofde) werk jaagt me op - en waarschijnlijk is dat precies wat ik wil.

Veel Nederlanders zijn opgevoed met een arbeidsmoraal. Dat leidde vroeger tot vaders die zich in het geheel niet met het gezin bemoeiden want 'vader werkt'. Werk was de hoogste vorm van tijdsbesteding, voor werk moest alles wijken, met werk werden alle lastige vragen beantwoord. Het was de bron van ' ik moet er hard voor werken' en ' ja, zeg, het geld groeit me niet op de rug'. Werk als kerk. Werk als alibi.

Hierbij werd uitgegaan van de premisse dat werk onaangenaam was. Sterker nog, je mocht aan je onmiddellijke omgeving nooit laten merken dat je je werk misschien wel leuk vond. Het werk was een zware last op de schouders van het gezinshoofd, waaronder deze gebukt ging. Omdat vader werkte en omdat dat heel niet vrolijk was, genoot vader privileges. Het werk wat moeder deed, het huishouden o.a., gold niet als werk maar als een lieve plicht die opgewekt, als een soort roeping vervuld diende te worden, liefst zingend, in tegenstelling tot vader's werk waarbij hooguit gezucht werd. Zingen deden alleen de dwergen van Sneeuwwitje, in hun mijntje, en dat was een sprookje.

Een rudiment van dit gevoel vindt men bij mensen die zeggen op te zien tegen een reisje, een zakenlunch, een opening. Vader kwam 's avonds moe en uitgeput thuis, of werkte nog enkele uren op zijn kamer. Moeder deed 'het huis', waaronder alles viel wat vader niet deed - en dat was zeer veel. In die tijd hoorde je ook dingen als: ' vader, zeg jij nou eens tegen Wim dat hij niet meer... ' en dan zei vader: ' alsjeblieft Nel, ik ben net thuis.'

In een gezin wat ik ken werd vader wel eens gevraagd hoe het die dag op kantoor geweest was. De hele familie riep dan in koor mee: een gekkenhuis! Want dat was het altijd. En wie lui was, verborg dat. Als men de Hollandse Dagboeken in deze krant leest ziet men mensen die vroeg op staan, veel vrienden hebben, en die gesteund door een fantastische secretaresse hun werk vervullen. In tegenstelling tot vroeger vinden ze nu hun werk heel leuk, want dat mag sinds kort. Luiheid is echter te laken. Voor je uitstaren in een comfortabele stoel is er (nog) niet bij; lanterfanten, het doelloos door kamers lopen en af en toe een boekje oppakken, een stukje krant lezen of uit het raam turen terwijl je een rol drop achter mekaar opeet, is nog steeds uit den boze.

Het misverstand dat alle werk vervelend, drukkend en zwaar was, leidde tot de gedachte dat eenvormige lichamelijke arbeid geestdodend was. Maar wie kent niet de opbeurende kracht die er uitgaat van stereotype werkjes als een kastje schilderen, een slotje repareren of hout hakken? Ik herinner me zelfs enkele proefschriften over lopende band werk, toen een gruwel, onder de titel Monotonie in de Arbeid. Maar wie ooit aan de lopende band gewerkt heeft weet dat slechts het lawaai geestdodend is, voor de rest is het een prachtige gelegenheid om te dagdromen of om interessante gesprekken te voeren over de kleren van de zaalchef of de escapades van de koffiejuffrouw, terwijl de omgeving en de collega's meestal als 'gezellig' worden ervaren. Iets wat een huisvrouw die eenzaam de gang stofzuigt moet ontberen. Veel mensen missen thuis het 'lachen op het werk', het groepsverband, de saamhorigheid. Als het goed is herken je die sfeer meteen, of het nu een groep inpaksters is van de chocolateerafdeling of een ploeg havenarbeiders in het stukgoed. Bekend is ook het fenomeen van de werkster die alleen komt voor de gezelligheid - en weggaat als je nooit thuis bent.

Vaak is die sfeer zelfs haast kunstmatig opgeklopt, in een alles zaligmakend streven naar een romantische cameraderie. Ik ken veel journalisten en fotografen, van huisuit lui en lamlendig, die het heerlijk en interessant vinden bij nacht en ontij uit hun bed gebeld te worden voor een 'klus' in Zeeuws-Vlaanderen. 'Ik was er bij', (zoals de autobiografie van Max Blokzijl heette).

Nu werk weer leuk gevonden mag worden komt de tijd dat we lui mogen zijn. Openlijk. Natuurlijk is er het misverstand dat luie mensen langzaam werken. Ja, ze werken langzaam als het werk onoverzichtelijk is en schijnbaar oneindig, zoals papiertjes prikken langs de grote weg - maar mensen die snel afwassen doen dat misschien omdat ze a) lui zijn en b) afwassen vervelend vinden. Iemand die vertelt dat zijn boekhouder langzaam maar slordig is wordt niet geloofd. Het is incongruent. Ik geloof zelfs dat grafologen gemakkelijk luiheid zouden kunnen ontdekken in het handschrift: volgens mij schrijven luie mensen vrijwel onleesbaar, omdat ze te lui zijn de tijd te nemen. Ik kan het weten want mijn handschrift is, ook voor mij, onleesbaar. Iets wat ik 'savonds heb opgeschreven kan ik de volgende ochtend slechts met moeite ontcijferen, en dan alleen als ik het onderwerp ken. Aantekeningen voor stukjes in het buitenland opgeschreven komen niet allemaal in het stukje voor omdat ik vaak essentiele onderdelen niet meer kan reconstrueren, tot mijn grote ergernis en verdriet, want ik meen dan juist de kern van mijn observaties te missen.

Luiheid.

Ik hoop er ooit echt de tijd voor te krijgen.