LIKE A ROLLING STONE

Greil Marcus, stafreporter van Rolling Stone Magazine, had zich vroeg bij het podi um opgesteld, die bewuste 6 december 1969 op het Altamont racecircuit. Hier, even ten oosten van San Francisco, zouden de Rolling Stones en andere groepen binnen enkele uren optreden. Vooraf was het concert al gedoodverfd als een tweede Woodstock, het popfestival waar nog geen vier maanden eerder massa's rockfans in grote saamhorigheid stortbuien en andere ontberingen hadden doorstaan. Geheel in de geest die toen heerste, bood Marcus iemand naast hem een deel van zijn lunch aan. De man sloeg de sandwich zonder omhaal uit zijn hand: ' I don't want your fucking food, you asshole.' En Marcus wist het. Dit zou geen tweede Woodstock worden.

Hij kreeg gelijk. De Hell's Angels die waren ingehuurd om de orde te handhaven - voor vijfhonderd dollar aan bier - vervulden hun taak op bloedige wijze. Opdringerige fans werden letterlijk van het podium afgeslagen. Marcus zag de bloedende neuzen en tandeloze monden en besloot zich terug te trekken uit het gedrang. Daardoor miste hij net hoe een 'Angel' zijn mes in de rug van een achttien-jarige studente dreef, dit tientallen keren herhaalde en op en neer sprong op haar lichaam, terwijl het publiek als bevroren toekeek. Tijdens het concert vonden uiteindelijk vier toeschouwers de dood.

Na afloop van het Altamont-festival kwamen de Rolling Stone-reporters samen op de redactie, verbitterd over de teloorgang van de rock-cultuur. Er gingen stemmen op het concert maar af te doen met een korte recensie. Ralph Gleason, die twee jaar eerder het blad met Jann Wenner had opgericht, was daar fel tegen. ' Of we stoppen dit blad uit te geven, ' zei hij, ' of we behandelen Altamont alsof het de Tweede Wereldoorlog is.'

Het werd het laatste. De dagbladen hadden in hun berichtgeving de Woodstock-mythe nog intact gelaten, maar Rolling Stone praatte met slachtoffers van het geweld, spoorde op wie de Hell's Angels had ingehuurd en ontdekte dat de Rolling Stones de ouders van de neergestoken studente niet eens een condoleance-kaartje hadden gestuurd. Het resultaat was een diepgravend verslag waar het tijdschrift de National Magazine Award 1970 voor kreeg.

SILKWOOD

In Rolling Stone Magazine. The Uncensored History beschrijft Robert Draper, zelf voormalig medewerker van het blad, uitgebreid hoe het Altamont-verhaal ontstond. Het was een van de eerste stukken waarmee Rolling Stone faam verwierf. Vele zouden volgen. Zo was het Rolling Stone Magazine dat het later verfilmde verhaal over Karen Silkwood publiceerde, de kritische medewerkster van een kerncentrale die onder geheimzinnige omstandigheden om het leven kwam. In 1975 was het blad de andere media ver voor met het stuk over Patty Hearst, de miljonairsdochter die zich had aangesloten bij de radicale stads-guerrilleros die haar hadden ontvoerd. Het was ook het verslag in Rolling Stone van de campagne voor de presidentsverkiezingen in 1972, dat de basis vormde van het beroemde boek The Boys on the Bus over de journalisten die de kandidaten dat jaar vergezelden.

Draper schreef The Uncensored History volgens de technieken van new journalism. Op beeldende wijze reconstrueert hij dialogen, geeft gedachtengangen weer en beschrijft emoties van de hoofdrolspelers. Het boek leest daardoor als een meeslepende roman. Een enkele keer heeft dat wel tot wat al te lyrische bewoordingen geleid. Daar staat tegenover dat Draper kritiek op de medewerkers van Rolling Stone niet uit de weg gaat.

Vooral de miskleunen van Jann S. Wenner, tot vandaag de uitgever en hoofdredacteur van Rolling Stone, komen uitgebreid aan bod. In 1967 begon de twintig-jarige Wenner met een startkapitaal van 7.500 dollar zijn 'Rock en Roll blaadje uit San Francisco'. Om zich heen verzamelde hij mensen die genoeg hadden van de manier waarop de gevestigde media schreven over hun rock-muziek en levensstijl. Het blad sloeg aan bij jongeren en snel groeide Rolling Stone tot een factor waar de platenindustrie rekening mee hield. Anno 1989 is Straight Arrow Publishers Inc., de uitgever van het blad, zo'n tweehonderdvijftig miljoen dollar waard.

Een paar keer zweefde Rolling Stone echter aan de rand van het faillissement. De veroorzaker van de financiele problemen was dezelfde als degene die het blad steeds weer uit het moeras trok: Jann Wenner. Zijn adoratie van beroemdheden ' Wenner is completely starfucked, ' aldus een van zijn medewerkers zijn spilzucht, zijn buitensporige cocainegebruik, de onredelijkheid waarmee hij sommige redacteuren behandelde, het waren eigenschappen die zo hun negatieve invloed hadden op het blad. Maar Wenners charme, tomeloze inzet, goede ideeen en uitstekende contacten met artiesten als Mick Jagger en John Lennon, brachten Rolling Stone er steeds weer bovenop.

Het enthousiasme van zijn journalisten speelde daarbij een grote rol. Zij voelden zich tot het blad aangetrokken als 'motten tot vlammen', aldus eindredacteur Abe Peck. ' We waren volkomen bereid ons door Rolling Stone te laten verteren.' Vooral de dagen voor de deadline waren de eerste tien jaar slopend. Dag en nacht werkend, pepmiddelen slikkend uit pure noodzaak, werkte de ploeg aan een nieuwe cover, omdat Jann Wenner op het laatste moment weer eens van mening was veranderd over wat er op het omslag moest. Voor de eindredacteuren waren vooral de verhalen van Hunter Thompson een crime, omdat die altijd op het allerlaatst binnenkwamen.

GONZO

Dr. Hunter S. Thompson is een verhaal apart. Hij was de uitvinder van Gonzo-journalistiek, uiterst persoonlijke verslaggeving waarin feiten en fictie in elkaar overlopen. Als Thompson zijn 'Fear and Loathing'-artikelen publiceerde Angst en walging in Las Vegas, Angst en walging bij Watergate vlogen de Rolling Stone-nummers de kiosken uit. Zijn bizarre belevenissen krijgen terecht veel aandacht in The Uncensored History. De voormalige Haagse Post maakte daar onlangs nog dankbaar gebruik van door haar trots gebrachte verhaal over Thompson goeddeels te baseren op Drapers boek, overigens zonder bronvermelding. Nog steeds staat Thompson in het colofon van Rolling Stone, maar hij schrijft nauwelijks meer voor het blad.

Inmiddels is Rolling Stone veel commercieler geworden, vooral sinds de verhuizing van het blad naar New York, in 1977. Het is duidelijk dat Draper dit betreurt. Het dubbele juli-nummer van dit jaar zu hem echter weer hoop kunnen geven. Goed, het centrale Rolling Stone-interview wordt dit keer gehouden met het goed in de markt liggende sekssymbool Tom Cruise, die uiteraard op de cover staat, en bovendien zelf de tekst mocht redigeren. Maar anderzijds haalt P. J. O'Rourke in een onderbouwd artikel uit naar de subsidies voor de Amerikaanse boeren, een bevolkingsgroep die van oudsher wordt ontzien. Bovendien bevat het nummer een hoofdartikel van Jann Wenner, waarin hij pleit voor legalisering van drugs. Een blad dat zich geheel richt op de smaak van de massa, had een dergelijk pleidooi waarschijnlijk nooit geplaatst.