HET RAADSEL VAN DE VROUWELIJKE ZELFKWELLING

Behalve haar sekse hebben Alijt Bake en Gertrud Baumer op het eerste gezicht weinig gemeenschappelijk. Bake leefde van 1415 tot 1455 en was een Nederlands mystica die deel uitmaakte van de religieuze beweging der Moderne Devotie. Baumer, die leefde van 1873 tot 1954, was een Duits feministe wier ideeen verwantschap vertoonden met het nationaal-socialistisch denken. Tezamen vormen zij het onderwerp van Grietje Dresens studie naar de 'morele inslag' van vrouwen, een uitdrukking die wordt ontleend aan de Franse schrijfster en psychoanalytica Julia Kristeva.

Dresen trof bij Bake en Baumer een overeenkomstige 'morele inslag' aan, een psychische structuur waarin het verlangen naar een paradijselijke harmonie samengaat met de wens te lijden. Maar de twee zo verschillende levensverhalen vertonen meer parallellen. Beide vrouwen streefden, met een tussenpoos van viereneenhalve eeuw, naar een rol die voor vrouwen tot voor kort nauwelijks was weggelegd: een rol in de gemeenschap, in de openbaarheid, buiten de beperktheid van huwelijk en gezinsleven. En beiden waren daarin maar zeer gedeeltelijk succesvol.

Bake werd in 1445 priorin van het klooster Galilea te Gent; ze stierf tien jaar later in ballingschap nadat ze van haar post was verwijderd. Door haar verregaande lijdensmystiek was ze wellicht te dicht genaderd tot de 'ketterij' van de Vrije Geest die een extreme onthechting impliceerde, een verleiding waarvoor met name vrouwen geacht werden vatbaar te zijn. Voor Bake gold zeker dat zij nog meer wenste te lijden dan toch al de bedoeling was. 'Excessen' in lijdensdevotie en versterving werden, zo schrijft Dresen, door de kerkelijke hierarchie niet op prijs gesteld: ' De biechtvaders legden er de nadruk op dat de navolging van Christus vooral een geesteshouding moest zijn. Beproevingen van de zintuigen, zoals het opzettelijk bederven van het eten door er alsem over te gieten of het dragen van grove en opgelapte kleding stonden in het teken van de geestelijke onthechting. Lichamelijke zelfkwellingen, zoals het geselen van zichzelf, lijken de zusters slechts bij uitzondering en alleen na uitdrukkelijk verlof van haar biechtvader te hebben mogen toepassen - en op voorwaarde dat andere zusters het niet te weten kwamen!' Het heilsrecept van Bake luidde 'laten en lijden', en door het schrijven van stichtelijke werken kon ze die 'kruisweg' aan de wereld kenbaar maken. Na haar ontslag werd het zusters en nonnen op straffe van opsluiting door het Kapittel verboden 'boeken met wijsgerige leringen' te schrijven.

OPENBAAR LEVEN MOEDERHART

Wat de in te lossen vrouwelijke schuld betreft, stond de tweede hoofdpersoon van Onschuldfantasieen, Gertrud Baumer, niet het lijden van Christus voor ogen, maar het lot van de Duitse soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Baumer was een vooraanstaand strijdster voor het vrouwenkiesrecht: het 'moederhart' moest volledig deel kunnen nemen aan de Volksgemeinschaft. In ruil daarvoor moesten vrouwen, al was het voor hen niet weggelegd te sterven voor de Heimat, hun deel op zich nemen van het lijden dat de staat ook van zijn mannelijke onderdanen vroeg. Baumers offerdrang en nationale gemeenschapszin bereikten extatische hoogten tijdens de slachtpartijen van 1914-1918. Stond het lijden van Bake in het kader van de bruids-mystiek (het sterven als huwelijk met Christus), bij Baumer moest het 'reine morele moederschap' de invulling vormen van de vrouwelijke bestaanswijze. Feminisme was voor haar 'georganiseerde moederlijkheid'.

Baumer was als voorzitster van de Bund Deutscher Frauenvereine de belangrijkste vooroorlogse Duitse politica. Na Hitlers machtsovername werd de BDF echter gelijkgeschakeld. Zij werd als ministerieel adviseur aan de kant gezet - tot haar teleurstelling, want ze had gehoopt dat het nazisme nog zou worden ontdaan van zijn reactionaire mannelijke hardheid en dat het een politieke plaats zou inruimen voor vrouwen. Hoewel ze die extreme masculiniteit bleef bekritiseren werd door de nazi's zoveel aan haar denken ontleend, dat na de oorlog van feministische en linkse zijde werd geprotesteerd tegen Baumers hernieuwde publicistische activiteiten.

Dresen heeft een minutieuze studie gemaakt van het autobiografisch materiaal en van het mobiliserend bedoelde werk van haar beide hoofdpersonen (van allebei zijn veel teksten voorhanden), maar de kern van haar feministisch-theologisch proefschrift draait om de morele thematiek. Het boek is een zoektocht naar de door Dresen bij deze vrouwen bespeurde 'dynamiek van offer en heil, van schuld en onschuld'. Om die dynamiek te laten zien had ze, zoals ze zelf zegt, ook andere vrouwenfiguren kunnen nemen. Keuze te over helaas. Terese de Lisieux en Catharina van Siena bijvoorbeeld. Of de rebels-anarchistische Simone Weil, wier heftige verlangens zichzelf fysiek te pijnigen sterk doen denken aan de methoden waarmee de waanachtig-religieuze Bake tot zielerust en vervoering kwam. Of de negentiende eeuwse Italiaanse feministe Gualberta Becari van wier hysterische ziekteverschijnselen (Becari leed onder meer aan verlammingen) de historica Marjan Schwegman in de biografie Feminisme als boetedoening (1989) aannemelijk maakte dat het zelf opgelegde straffen waren voor vermeende schuld. Of de marxiste Henriette Roland Holst, van wie Dresen voor in haar boek een gedicht afdrukt waarin de regel staat: ' gezegend elk die tot het Offer schrijdt.' Of, om een recenter voorbeeld te geven: de westerse communistes voor wie het 'offer' van Ethel Rosenberg (de elektrische stoel), hoe angstaanjagend ook, in 1953 een inspirerend voorbeeld vormde.

ZELFKWELLING

Levensbeschouwelijke extremen raken elkaar dus op dit punt, en Dresen trekt die lijn nog verder door: ook in de feministische vredesbeweging werd vaak zo'n moralistisch getinte 'offerbereidheid' gevraagd. Ook daar bespeurt ze de dubbelzinnige geneigdheden tot 'offerzin' en 'heilsverlangen'. ' Soms leek het eigen geluk juist te bestaan in het op zich nemen van de 'zonden van de wereld', ' schrijft ze. Je zou gaan vrezen dat het des vrouwen is - ongeacht geloof of ongeloof, plaats en tijd - vreugde te vinden in zelfkwelling en fantasieen te koesteren over absolute harmonie. In combinatie, daar gaat het om: alle genoemde offergezinde vrouwen hielden er uto-pische dromen op na, of die nu religieus waren of atheistisch, christelijk-nationalistisch of pacifistisch.

De vrouwelijke neiging om het leed van de wereld op zich te nemen, wordt door Dresen treffend betiteld als een 'Atlascomplex'. Om dat complex te verklaren ging ze te rade bij de psychoanalyse. Naast Kristeva is vooral bij het werk van Freuds Nederlandse leerlinge Jeanne Lampl-de Groot een inspiratiebron. Varierend op Freuds begrip 'moreel masochisme' en op Lampls 'martelaarschap' introduceert Dresen de term 'onschuldfantasie'. In de Freudiaanse visie verlangen mensen terug naar het 'oceanische gevoel' dat hoorde bij de oude symbiotische eenheid met de moeder, een toestand van kinderlijke onschuld, vervulling en almachtsfantasie. Vrouwen zouden, zo betoogt Dresen, dat oude gevoel van perfecte harmonie weten te heroveren door het op zich nemen van schuld.

Het interessante aan Dresens psychoanalyse van de zo diverse teksten van Bake en Baumer is dat ze niet alleen die offerzucht laat zien, maar ook de daaraan ontleende gevoelens van superioriteit. Het lijden heeft een functie in de psychische boekhouding: het heeft niet alleen zijn prijs, er wordt ook winst mee behaald. Het duo lijden-plus-heilsverlangen wordt zodoende minder onschuldig dan het in eerste instantie lijkt. Om Dresens conclusie over Bake te citeren: ' De vereenzelviging met de lijdende Christus stelt (haar) in staat een onschuldige door lijden gelouterde vorm te vinden voor haar gevoel van uitverkorenheid.' Door het kruis op zich te nemen, werd Bake in eigen ogen zelf goddelijk. In het eerder geciteerde gedicht van Roland Holst komen we die combinatie van nederigheid en hoogmoed eveneens tegen: het offer heet een majesteitelijke daad, en wie zich offert is ook hier 'uitverkoren'.

INTOLERANTIE

Behalve een scherp beeld van de almacht die in de nederigheid besloten ligt, verklaart Dresen in dit boek ook veel van de intolerantie van wereldverbeterende bewegingen ten opzichte van andersdenkenden. Want het was niet alleen zo dat de vrouwen zichzelf pijnigden met hun scrupulositas, hun 'ziekte van het overdreven schuldbewustzijn', ze riepen daartoe door middel van idealistisch-moralistische beschouwingen ook anderen op. Het dragen van lasten om aan een schuld te ontkomen vormde de route die Bake en Baumer voor vrouwen uitstippelden om deel te hebben aan het sociale leven.

Onschuldfantasieen is rijk aan gedachten, aan kennis en in woordkeuze. Het getuigt bovendien van dapperheid om als onderwerp twee vrouwen te kiezen die menig feministe maar liever onder het tapijt der historie zou wegmoffelen, en vervolgens te wijzen op trekjes waarin die antiheldinnen overeen komen met de eigen feministische beweging. Makkelijk toegankelijk is het boek echter beslist niet. Bovendien zou de redenering mijns inziens aan kracht en wellicht ook aan helderheid hebben gewonnen als het sociologische aspect verder was uitgediept. Het verband met de feitelijke situatie van buitengeslotenheid waarin de vrouwen zich bevonden, blijft vrijwel buiten beschouwing, hoewel het biografisch materiaal daarvoor tal van aanknopingspunten biedt.

Ook Lampl-de Groot suggereerde in haar artikelen al een verband tussen de onmogelijkheid wensen te realiseren en de neiging tot martelaarschap. Wie machteloos is (een bron van agressie natuurlijk), kan haar almachtsverlangens altijd nog botvieren door dan maar machtig te lijden. Zoals Dresen zelf opmerkt: ' De veronderstelde morele superioriteit van vrouwen, die ook in modern feministische geschriften soms uitgangspunt van reflectie is, lijkt historisch gezien slechts de andere kant te zijn van de sociale en politieke onmacht van vrouwen.' Het zich mateloos uitsloven, het groots zijn in onderwerping, is voor vrouwen vaak een manier geweest om met de wereld der mannen mee te mogen doen; dat mechanisme laat zich in veel sociale bewegingen bespeuren.

Ter illustratie van het Atlascomplex liet Dresen een foto afdrukken van een beeld getiteld Eva. Het gefotografeerde beeld bevindt zich, zeer toepasselijk, bij de afdeling 'feminisme en christendom' van de Nijmeegse Universiteit, waar Dresen werkt. Het symboliseert exact waarover haar boek handelt: het 'uitboeten' van schuldgevoelens. In tegenstelling tot Atlas staat deze vrouwenfiguur niet rechtop: zij (qui tollis pecata mundi - die de zonden der wereld torst) gaat letterlijk gebukt onder een reusachtige appel, een wereldbol met een steeltje eraan. Door Dresen weten we inmiddels dat het onwaarschijnlijk is dat de dame in kwestie als een hedendaags gewichthefster haar last van zich af zal werpen teneinde in triomf de vuist te ballen. Ze gaat immers maar al te graag gebukt, en weet juist aan die nederige staat gevoelens van triomf of op zijn minst tevredenheid te ontlenen. Ik kan uit Dresens verhaal maar een conclusie trekken: als vrouwen zich ergens van moeten bevrijden is het van deze hoogst verraderlijke 'gemoedsbeweging'.