F. BOLKESTEIN TEGEN DE LINKSE HOOGMOED

'De mens is engel noch beest, ' citeert Frits Bolkestein de Franse filosoof Blaise Pascal. ' Het ongeluk wil echter dat degene die engel wil zijn, beest wordt.' Het citaat fungeert als motto en als titel van de deze week uitgekomen bundel van twintig artikelen en toespraken van de VVD-politicus uit de afgelopen jaren. Wie Bolkestein zo wat heeft gevolgd sinds hij in 1977 voor het eerst de Tweede Kamer betrad, zal niet verwonderd zijn dat de titel de rode draad door de bundel symboliseert. Samengevat luidt deze: de progressieve intellectuelen van '1968' en hun volgelingen pretendeerden engelen te zijn met een nieuwe heilsboodschap voor de samenleving. Ze werden echter tot beesten, die de coherentie van de Nederlandse samenleving aantastten en blijvende schade aanrichtten aan de vaderlandse psyche.

Die psyche heeft zich overgegeven aan het 'zieligheidscomplex'. Dat houdt ons voor dat de mens in beginsel goed is en indien hij dat niet is, dit geheel de schuld is van zijn verleden en zijn omstandigheden. De multinationals, de NAVO, de Amerikanen en het IMF waren daarbij steeds de hoofdschuldigen. In de beweging van '1968', zegt de auteur, is een in Nederland steeds gekoesterd beginsel uit de Heidelbergse catechismus verloren gegaan, namelijk dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Deze combinatie bij de progressieve intellectuelen van hoogmoed, de gedachte dat alle goed en kwaad uit het Westen komt, en christelijk schuldbesef was dodelijk, zo tracht Bolkestein duidelijk te maken.

Dit alles resulteerde, zo gaat hij verder, in een door niets gerechtvaardigde inschikkelijkheid tegenover communistische regimes. Bovendien werden collectieve rechten boven individuele rechten gesteld, en een puberaal en ziekelijk anti-Amerikanisme teisterde het denken op het terrein van buitenlands politiek en veiligheid. In deze ontwikkeling werden zelfs basale Nederlandse eigenschappen als nuchtere schranderheid en sobere bekwaamheid ernstig aangetast. Dat is in de ogen van Bolkestein ook wel onze eigen schuld, want we hebben onze verzuilde en versteende sociale verhoudingen zo lang gehandhaafd dat er wel zo'n sterke reactie als de beweging van '1968' op moest komen. Dat verklaart ook waardoor de bressen zo groot waren die in onze samenleving werden geslagen.

OMISSIE

Bij deze laatste opmerkingen komen we onwillekeurig van de rode draad in deze bundel uit bij de algemene beschouwingen van enkele weken geleden in de Tweede Kamer. Daarin deed Bolkestein, nu in zijn functie als de nieuwe fractieleider van de VVD, een vergeefse stormloop op de machtsbasis van het CDA, het 'maatschappelijk middenveld', bestaande uit een breed conglomeraat aan verenigingen, ziekenhuisbesturen, schoolbesturen, en maatschappelijke instellingen, die jaarlijks voor vele, vele miljarden aan overheidsgelden verdelen en besteden.

De bressen die '1968' sloeg, waren blijkbaar niet zo groot dat deze macht fundamenteel werd aangetast. Het CDA heeft zich zodanig hersteld en zo flexibel getoond dat het zelfs een grote aantrekkingskracht heeft gekregen op niet-confessionele groepen. Feitelijk is het de afgelopen jaren de enige politieke groepering geweest die fundamenteel is gegroeid. We komen hier bij een omissie in Bolkesteins verder werkelijk interessante en zeer leesbare bundel, als men hem het element van de herhaling in twintig redes en artikelen vergeeft; zijn analyses zijn vaak scherpzinnig en treffend, zijn moed ook om tegen de intellectuele trend gerichte stellingen te verkondigen, mag worden geprezen, maar hij voltooit zijn analyse niet.

Bolkestein schildert 'de verwoestingen' door de '1968-beweging', op de universiteiten, op de scholen, op de arbeidsmoraal, op het economisch en financieel beleid door de staat, op het ontwikkelingsbeleid, om slechts enkele voorbeelden te noemen, maar hij komt niet toe aan het profijt dat uiteindelijk het CDA uit deze verwoesting heeft getrokken. Hij verschroeit bij herhaling met felle uithalen Joop den Uyl en diens beroemde, naderhand beruchte redes in Paradiso en in Nijmegen ('De productie behoort uiteindelijk niet te worden bepaald door vraag en aanbod, (...) maar door democratisch getoetste gemeenschapsbeslissingen.'), maar Ruud Lubbers ontbreekt in zijn essays geheel, terwijl ze alle zijn geschreven ten tijde van de Lubbers-dynastie.

In zwarte termen beschrijft Bolkestein de 'waandenkbeelden' van de progressieve intellectuelen, maar hij trekt geen conclusies uit de omstandigheid dat de politieke groepering waar de meeste van deze progressieve intellectuelen zich toe wendden, de PvdA, daar nu ook de wrange vruchten van plukt en in een situatie van langzame ontbinding verkeert, terwijl het CDA jubelend en psalmzingend zijn tienjarig bestaan viert.

GRACHTENGORDEL

Ten slotte neemt de VVD-voorman in zijn essays evenmin een heel andere backlash op de beweging van '1968' niet waar: het yuppiedom en het nieuwe ik-tijdperk. Dat laatste is des te merkwaardiger, daar hij zelf toch leeft in de grachtengordel- annex Concertgebouwbuurt van onze hoofdstad. Hij kan zich troosten met de gedachte dat velen van de intellectuelen, van politiek links tot rechts, in zijn omgeving hun inspiratie, positief of negatief, nog altijd vinden in de beweging van '1968', terwijl de provincie inmiddels weer rustig de macht verdeelt. Zie het CDA in het Haagse Congresgebouw afgelopen zaterdag.

Misschien is het wat onrechtvaardig Bolkestein deze omissie aan te wrijven. Hij wil al vele jaren duidelijk maken dat '1968' desastreuze gevolgen heeft gehad voor Nederland. Hij strijdt als polemist tegen de overblijfselen van deze Gesinnungsethik, hij is pleitvoerder van een Verantwortungsethik, die uitgaat van de onvolmaaktheid van de mens. Niet de mens zelf is goed, maar als je hem met veel andere mensen in een doos stopt, komt er uiteindelijk vaak iets goeds uit. Die opvatting vormt dan uiteraard tegelijkertijd de basis voor het principe van de vrije markteconomie, waar Bolkestein als liberaal voorvechter van is.

Dat hij in dit boek zo stil blijft staan bij de gevolgen van '1968' is niet zo verwonderlijk. Zijn zorgen over de gevolgen ervan dreven hem in 1976 tot het besluit op zijn drieenveertigste een zestienjarige succesvolle carriere als manager bij Shell vaarwel te zeggen. Joop den Uyls rede's vormden toentertijd zijn negatieve inspiratie. Het verfrissende van Bolkestein is dat hij ook in de inleiding van De engel en het beest gewoon zegt dat hij invloed wilde hebben en om die reden lid van de Tweede Kamer wilde worden. ' Ik had slechts een maand of vier om enige bekendheid te verwerven, ' schrijft hij over die beginperiode.

De overmoed van Den Uyl in de formatie met Van Agt in 1977, die na vele maanden werd afgebroken, bezorgde hem zijn zetel. Er kwamen zo veel VVD-ministers en -staatssecretarissen in het kabinet dat de aanvankelijk onverkiesbare Bolkestein toch nog op de voorlaatste plaats de Kamerbankjes haalde.

EIGENWIJS

Naast Den Uyl duiken in deze bundel mensen als Harry Mulisch, Regis Debray, Gabriel Garcia Marquez en natuurlijk de taalfilosoof Noam Chomsky geregeld op als wrijfpalen. Zij zijn volgens Bolkestein de Loreley's geweest, die met hun sirenengezang een generatie progressieven op de klippen hebben gejaagd.

Eigenwijs is hij, Frits Bolkestein, overtuigd van zijn gelijk, maar niet zelfvoldaan. Dat laatste blijkt uit het feit dat hij zich in het geheel niet onder de indruk toont van Francis Fukuyama's stelling dat het gedachtengoed van de liberale democratie het rijk alleen heeft na de val van het communisme. Dat het communisme uiteindelijk is ontmaskerd, verwondert hem niet (' geen ideologie ontsnapt aan de zwaartekracht van de economie'), maar is het definitief afgeschreven? En de islam dan? En de bevolkingsexplosie? En het opkomend nationalisme? Nee, het liberalisme heeft een belangrijke slag gewonnen, maar de oorlog gaat door in Bolkesteins oordeel, tegen alles wat eng en dogmatisch is, tegen alles wat totalitair denkt, tegen blindheid op een oog.

Bolkesteins essays hebben net als zijn optredens vaak iets parmantigs, soms zo veel dat het irriteert. Maar dit gevoel lost steeds weer op in het besef dat Nederland een politicus moet koesteren die, om het wat onderkoeld te zeggen, ook eens een boek leest en daar in z'n hersens iets mee doet. Hoe on-Nederlands hij zich daarbij vaak ook gedraagt, zijn permanente bereidheid met iedereen in discussie te gaan, zijn opvattingen te verantwoorden, kortom, uiteindelijk consensus te zoeken, zijn oer-Nederlands.