De oudstrijders van de VARA; 'Marcel heeft de Arbeidersomroeper na jaren van kwakkelen weer bovenop geholpen'

Deze zaterdag viert de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs, beter bekend als de Vara, haar vijfenzestigste verjaardag. Aanleiding om een aantal oudgedienden aan het woord te laten over 'Teun de Klepperman', de oorlog en de AJC. Een tijdsbeeld.

De reunie vindt plaats op een regenachtige zondagmiddag, in de sober ingerichte woning van Flip en Lien Heil (75 en 74) in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Hans en Mien Wolder (75 en 71) tonen video-opnamen van een reis naar Moskou en Leningrad, die ze een jaar geleden met een dertigtal oud-AJC'ers hebben gemaakt. Het derde in de kamer aanwezige echtpaar wordt gevormd door Toon en Miep Dekker (70 en 66). Op de tafel staan nootjes en blikjes tonic. We zien een ballet van kozakken, op het ritme van trommels allerlei capriolen uithalen

Dan glijdt de camera langs de groep - wachtend op de bus in een Russische straat - en de kijkers slaken kreten van herkenning; de meeste reizigers kennen ze al uit de jaren veertig, sommigen zelfs nog van voor de oorlog.

Alle zes komen ze uit een traditioneel sociaal-democratisch milieu; ze kennen elkaar uit de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), thuis werd Het Volk gelezen en men was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Vereniging Arbeiders Radio Amateurs (Vara) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hun vaders waren actief in wat destijds 'de Arbeidersbeweging' heette; als kind al trokken ze met lijsten en collectebussen langs de huizen in de buurt om contributie op te halen voor 'De Partij', 'De Vakbond' of 'De Omroepvereniging'. De meesten herinneren zich nog de beginjaren van de Vara, 65 jaar geleden. De vader van Hans Wolder was zelfs aanwezig bij de oprichtingsvergadering. Trots laat hij een boekje over de Vara-geschiedenis zien, dat vermeldt dat vader-Wolders zich in de jaren twintig ' reeds geruime tijd aan het radio-amateurisme had gewijd'. In die pionierstijd was er sprake van 'luistervinken', die - veelal met zelf in elkaar gezette ontvangstapparatuur - alles opvingen wat in de ether te horen was.

Vader Wolder, lid van het socialistische zangkoor de Stem des Volks, ' had al een poos rondgelopen met de idee, dat ook de democratisch-socialistische beweging zich in de aether moest laten horen.' In navolging van de katholieken (KRO), de christelijken (NCRV), de vrijzinnig-protestanten (VPRO) en de liberalen (AVRO) moest ook de Arbeidersbeweging een stem krijgen. ' In verschillende luisterbijeenkomsten in Amsterdam-Noord had hij hierover al met anderen van gedachten gewisseld en zodra hij de oproep tot het bijwonen van de vergadering in 'Parkzicht' in Het Volk las, had hij onmiddellijk het besluit genomen, naar die vergadering toe te gaan', vervolgt het verslag in Wij willen 10.000 nieuwe leden (1954). ' Staande de vergadering gaf hij zich als lid op en hij heeft er nimmer spijt van gehad, doch altijd voor de V. A. R. A. geijverd, vooral ook in de beginperiode van onze rode omroep in de Bondsraad van de Bouwarbeidersbond.'

De organisatie van de Arbeidersbeweging onderscheidde zich niet wezenlijk van die van de katholieke of protestantse tegenstrevers. Er was sprake van een grote saamhorigheid; men had niet alleen zijn eigen krant, omroep, vakvereniging en partij, maar ook in de 'cooperatieve' winkels, de jeugdbeweging en de gemeenschappelijke speeltuinen vonden de sociaal-democraten elkaar. Zelfs in het katholieke zuiden was sprake van een hechte rode gemeenschap, herinnert zich Flip Heil, al werd die door de Limburgers meestal met de nek aangekeken. Hij groeide op in 'De Rooie Kolonie' in Rumpen, een honderdtal houten woningen nabij Brunssum, op een steenworp afstand van de werkplek van zijn vader, de staatsmijn Hendrik. Op zijn eerste schooldag moest hij zijn 'zondagse kleren' aan: een blouse met matrozenkraag, een broek met achterklep, lange zwarte kousen en gymnastiekschoenen. Met zijn twee broers en nog twintig andere kinderen uit de kolonie vertrok hij, onder aanvoering van zijn viool-spelende onderwijzer, naar de Nutsschool in Treebeek. De vier kilometer van huis naar school en terug moesten lopend worden afgelegd, want het was niet-katholieken destijds verboden met de tram naar een neutrale school te reizen.

Vuist maken

Toon Dekker groeide op in Tuindorp Buiksloot in Amsterdam-Noord, dat vanwege de door het looizuur vervuilde grond in de volksmond 'Het Blauwe Zand' werd genoemd. Hij colporteerde er als jongetje met Vrijheid, Arbeid en Brood, een socialistisch weekblad a drie cent per exemplaar, en schilderde en plakte SDAP-propaganda ter voorbereiding van de verkiezingen. Zijn vader was weliswaar een 'revolutionair' georienteerde socialist, maar stond op het standpunt dat aansluiting bij een grote partij ook betekende dat je 'een vuist maken' kon. Net als zijn vrienden trad Toon achtereenvolgens toe tot de Jong Socialisten, de Arbeidersvakbond en de AJC, hij werd op 16-jarige leeftijd lid van de Rode Valken en ging als 18-jarige over naar de Rode Wachten. Hij bezocht de Arbeidsersavondschool en het Instituut voor Arbeidsontwikkeling en reisde met Pinksteren naar het Rode Valkennest bij de Paasheuvel, het AJC-trefcentrum in Vierhouten op de Veluwe. Er werd gezongen en gedanst, de natuur werd bestudeerd en men luisterde naar een strijdvaardig woord van Koos Vorrink. Dekker werd stoffeerder/meubelmaker, maar kwam dank zij zijn avondstudie in aanraking met poezie, schilderkunst en muziek - groepsgewijs werden er concerten bezocht. Met grote dankbaarheid kijkt hij terug op zijn jeugdige vorming; hij behoorde tot 'het denkend deel van de Arbeidersklasse'.

Ook Flip Heil kan zich nog goed herinneren dat hij als jongen meehielp in de socialistische strijd. De mijnwerkersgemeenschap in Zuid-Limburg werd geregeld geconfronteerd met de ongelukken. Zijn vader werd na een instorting van een mijnschacht, die vijf collega's het leven kostte, na vier dagen zwaar gewond naar boven gebracht. Er waren stakingen, de rode vlag ging voorop, daarachter tussen de mijnwerkers de vrouwen en de kinderen, in de hoop dat de politie de demonstratie niet met harde hand uiteen zou slaan. De jonge Flip werd in verkiezingstijd met een touw naar het plafond van het viaduct van de Staatsmijn Hendrik gehesen om er een affiche aan te plakken: Stemt W. H. Vliegen, Nolens zal je bedriegen.

De familie Wolder woonde in het Amsterdamse Vogeldorp. Vader Wolder was een zo warm aanhanger van de sociaal-democratie, dat hij aan het tuinhek over de volle breedte van het huis de leus Proletariers aller landen verenigt u had aangebracht. Hij kon zich als metselaar in de eerste jaren van de Vara geen eigen radiotoestel veroorloven. Toch stond thuis op de schoorsteenmantel het busje, waarin - als het even kon - een cent of een stuiver werd gedeponeerd, om de bouw van de nieuwe studio aan de Hilversumse Heuvellaan mogelijk te maken. De Vara verstrekte aan de gulle gezinnen dankbaar een troffeltje met inscriptie. Het feit dat ook de Arbeidersbeweging 'haar stem liet horen' vormde voor de familie Wolder voldoende aanleiding om bij een geestverwant gezin, dat over een technisch bureau en over een radiotoestel beschikte, naar de Vara-uitzendingen te luisteren. Daar hoorden ze op zaterdagavond 'Teun de Klepperman' en op zondagmiddag 'Ome Keesje', beide satirische en maatschappelijk betrokken creaties van Willem van Cappellen, de oervader van het Nederlandse hoorspel. De 'luisteravond' werd steevast met De Internationale gesloten.

Bij Toon Dekker thuis deed in de late jaren dertig de 'Varadijne' zijn intrede, een kleine radio-ontvanger met een grote, hoornvormige luidspreker die op afbetaling via de omroepvereniging kon worden betrokken. Ook hij denkt vol warmte aan de eerste programma's terug: Ome Keesje die als oude baas op reis ging om sociale misstanden te signaleren. Maar ook de mededelingen over Partijvergaderingen en de 'scholende' uitzendingen herinnert hij zich nog. De 'opvoedende' taak van de sociaal-democratische media wordt geprezen; Het Volk drukte altijd een verklarend lijstje met moeilijke woorden af. Bij Flip Heil werd in onderdelen het Vara-radiobouwpakket bezorgd, waarvan een handige vriend uiteindelijk een ontvangstapparaat fabriceerde.

Hordeleider

Het wordt donker in de de Amsterdamse Holendrechtstraat. Flip Heil rukt een nieuwe lading tonic aan en de gesprekken neigen onafwendbaar naar de periode die de drie aaneensmeedde, en voor het leven tekende. Flip bracht het bij de AJC tot 'hordeleider' over een groep Rode Valken. Gedurende de 'Vriendschapsfeesten' op de Paasheuvel werkte hij mee aan de Rode Valkenbode, hij begeleidde liederen op banjo en gitaar. ' Ik heb een brilletje al voor mijn ogen, om te zien al of de boeken logen', neuriet hij. Van de vijftien joodse Rode Valken die hij als hordeleider in de Transvaalbuurt leerde kennen heeft niet een de oorlog overleefd. De aanwezigen zijn het erover eens, dat de Vara-leiding te laat heeft ingezien wat het doorgaan met uitzendingen, gecontroleerd door de bezetter, vermocht. Voor de oorlog, herinneren zij zich, heeft de Radio Controle Commissie herhaaldelijk anti-facistische uitzendingen uit de ether geweerd. Maar dat de Arbeiderszuil in de eerste oorlogsmaanden onverbloemd met de Duitsers heulde heeft veel kwaad bloed gezet.

In augustus 1940 trouwde Flip Heil met de Mien Stechman, een joodse meisje wier ouders in de oorlog in een vernietigingskamp omkwamen. Het echtpaar betrok een woning in de Vrolikstraat, op nummer 101 drie hoog-achter, om precies te zijn. Heil had een schrijfmachine en een stencilapparaat en vervaardigde, via een contact met Victor van Vriesland en zijn vrouw Adrienne Canivez, de eerste 'nieuwsbrieven' van Pieter 't Hoen, waaruit in februari '41 Het Parool voortkwam. Via kantoorboekhandel Gebr. Winter aan de Middenweg kreeg hij gratis papier. Voor de distributie droegen ondermeer Hans Wolder en Toon Dekker zorg. Aanvankelijk schreven zij de geschriften aan Koos Vorrink toe, later bleek zich achter het pseudoniem Pieter 't Hoen Frans Goedhart te verschuilen. De 'Raampoorters' plakten over Duitse affiches hun eigen leuzen en bleven in nauw contact met elkaar.

Hans Wolder, Rode Valkenleider van de troep Noordpool, was voor de oorlog al lid van de Anti-oorlogs Liga, een groep die geneigd was het gebroken geweertje - zoals hij het zelf omschrijft - in het licht van het naderend facisme recht te buigen. De Liga richtte zich niet alleen op de geestelijke strijd, de materiele weerstand werd geschraagd door een aanzienlijk wapenbezit. Wolder was dienstplichtige gedurende de mobilisatie, belandde na de overgave een maand in Duitse krijgsgevangenschap en zocht daarna contact met zijn AJC-vrienden. In een sportschool aan de Amsterdamse Bloemgracht werd getraind in zelfverdediging en wapengebruik. De groep omvatte inmiddels een vijfentwintig man en legde zich naast het verspeiden van Het Parool toe op het verzamelen van gegevens over spoorweg- en havenemplacementen.

Verraad

Het was een hard gelag toen bleek dat iemand uit eigen gelederen, een als betrouwbaar geldende AJC'er, de groep eind augustus 1941 verraadde. Het leidde tot arrestaties en uiteindelijk tot de terechtstelling van dertien van de Parool-verspreiders van het eerste uur, op 5 februari 1943. Flip Heil ontsprong de dans; hij wachtte nog twee nachten vergeefs in de tuin van de verrader om hem met een Duitse dolk uit de weg te ruimen. Hans Wolder, gearresteerd op verdenking van 'communistische sympathieen' in november '41, belandde achtereenvolgens in de kampen Amersfoort, Neuengamme en Ravensbruck. Toon Dekker werd in februari '41 gevangen genomen, maar werd in mei van dat jaar 'bij vergissing' weer vrijgelaten, na drie maanden hardhandig te zijn verhoord. Daarna wierp hij zich opnieuw op het verzets- en distributiewerk.

Oorlogservaringen worden uitgewissseld. In zijn latere woning, elders in de Amsterdamse Rivierenbuurt, herbergde Flip Heil drie joodse onderduikers. Hij had een bus peper en een moker in de aanslag, teneinde bij een razzia de vijand achtereenvolgens te verblinden en de hersens in te slaan. Toon Dekker verhaalt van wapenzendingen voor het verzet, verborgen in balen stro, die bij hem thuis in de woonkamer stonden; zou er een razzia komen, dan had de familie stellig het huis gebarricadeerd en zich 'letterlijk dood gevochten'. Hij werd in de buurt 'De Stier' genoemd, omdat hij altijd een bajonet in de laars en een eierhandgranaat in zijn binnenzak droeg. Hans Wolder overleefde de kampen dank zij, zoals hij zegt, zijn handigheid; hij was timmerman, electricien en metselaar.

Allen stortten zich meteen na de oorlog weer op de sociaal-democratie en de strijd voor een betere samenleving. Onder aanvoering van 'de twaalf apostelen' kwam in 1946 de Partij van de Arbeid tot stand. De wederopstanding van de Vara wakkerde de vlam van weleer nog eens aan. Dekker stortte zich in het vakbonds- en OR-werk, Heil maakte zich sterk in de Vara- en Vrije Volk-organisatie. Hans Wolder zag zich, na een kort engagement met de PvdA, geconfronteerd met de politionele acties in Nederlands-Indie - mede onder verantwoordelijkheid van Willem Drees uitgevoerd; hij zegde zijn lidmaatschap op. De terugslag van de oorlog kwam later, veel later. In 1976 wendde Toon Dekker - inmiddels onderhoudstechnicus bij een verzekeringsmaatschappij - zich op advies van zijn huisarts tot professor Bastiaans; die raadde hem aan niet te vervallen in zelfmedelijden en gaf hem het inzicht dat andere oorlogsslachtoffers een wellicht nog veel ondraaglijker last moesten torsen. Het heeft hem geholpen.

Hans Wolder staat nogal sceptisch tegenover de therapieen van de geneesheer in Oegstgeest; hij werd tijdens en na zijn functie als ambtenaar van de gemeentelijke Publieke Werken actief in verschillende bewegingen van oud-verzetsstrijders en hij zag sommigen van zijn oude kameraden 'verknipter dan ze waren' van het Centrum '40-'45 terugkeren. Dat wil niet zeggen dat hij zijn oorlogstijd in stilte heeft verwerkt; evenals zijn vrienden vertelt hij op verzoek op scholen en in verenigingsverband van de oorlogsgruwelen, het facisme en - daarover doet geen van drieen moeilijk - van de soms heroieke avonturen.

Slaatjes en hamburgers

Het loopt tegen zessen als Lien Heil zegt dat het tijd is om wat te eten. Haar man wordt er met Hans Wolder op uit gestuurd om bij een naburige snackbar iets te halen. Ze keren terug met slaatjes en hamburgers, Lien heeft inmiddels een flinke stapel bruine boterhammen van margarine voorzien. Lien en Flip Heil hebben onlangs hun 50-jarig huwelijksfeest gevierd, opgeluisterd door burgemeester Van Thijn, die Flip het ereteken van verdienste van de stad Amsterdam opspeldde. Na de oorlog zette Flip Heil zich in voor allerlei ideele - veelal rood gekleurde - doelen, waarvan in zijn huis tal van oorkondes, vaantjes, stickers en penningen stil getuigen.

Een korte, maar lang niet volledige opsomming: Twintig jaar lang was Flip Heil voorzitter van de Afdeling Amsterdam-Zuid van de Vara, tot 1985 fungeerde hij nog eens vijf jaar lang als de Amsterdamse districtsvoorzitter. Hij was de centrale man voor de bezorging van Het Vrije Volk in zijn buurt tot 1953, vervolgens fungeerde hij tot 1970 als PR-man van die krant. Samen met Jo Boetje organiseerde hij 25 jaar lang de verkiezingsuitslag-bijeenkomsten van de PvdA in de Amsterdamse Beurs van Berlage. Al veertig jaar lang speelt hij elke decembermaand voor Sinterklaas in een kindertehuis. Sinds jaar en dag is hij actief in de Rivierenbuurt; voor het wijkcentrum, het 5 mei-comite, de herdenkingsplaats van de 'Markt voor joden' en de speeltuin. Nu werpt Heil zich met alle energie op het ouderenwerk. Geestdriftig toont hij de lege aanstekers, die hij inzamelt ten behoeve van de Vara-speelgoedactie, een organisatie waarvan hij een van de grondleggers is.

Bij Flip Heil hangt in de gang een voorbeeld van AJC-huisvlijt: een in hout gebrande afbeelding van De Paasheuvel. We praten over het typische AJC-interieur dat decennia lang de toon in het milieu van de drie echtparen aangaf. Het onderwerp maakt vooral bij de vrouwen veel herinneringen los. 'Eenvoud' was het uitgangspunt, daar hoorden handgewerkte tafelkleden en blank-eiken meubels bij, bestaande uit een 'vaste bank' (geen bankstel!), een sobere tafel en stoelen met rechte leuning. De lampekappen rond de houten poot waren bij voorkeur 'eigengemaakt', gordijnen hingen 'met lussen' aan de roedes, aan de muur een reproductie van de zonnebloemen van Van Gogh, het portret van Troelstra of Domela Nieuwenhuis alsmede een flink boekenrek. Er werd gedekt met bontgekleurde borden met bloemmotief. Op de vloer lag 'matting', het behang vertoonde geen bloemetje, want dat werd als 'burgerlijk' beschouwd. Een bos bloemen of - nog liever - takken stond daarentegen altijd op tafel, want 'natuur hoort erbij'. De meisjes droegen 'soepjurken' - kort lijfje met lange rok - en de jongens 'vergietschoenen': sandaal-achtige stappers met open-geweven motief, waarvan Flip Heil me er een paar toont.

Het blijkt de aanwezigen steeds meer moeite te kosten de jeugd duidelijk te maken waar ze voor stonden: een overtuigd 'geloof in de toekomst'. Toon Dekker gaf onlangs vooorlichting op een school en vertelde dat hij in bezettingstijd op zeker moment een kilo havermout voor twaalf jongens kreeg. ' Had u dan helemaal niets meer in de ijskast?' wilde een meisje weten. De Tweede Wereldoorlog is voor de huidige schooljeugd even ver weg als de Tachtigjarige Oorlog, stellen de reunisten bedroefd vast.

NSB'ers

Toon herinnert aan een treffen met NSB'ers, die in de Raadhuisstraat Duitschland wint op alle fronten op de muur kalkten. Hij kwam met een paar vrienden net van de sportschool op de Bloemgracht en ze maakten met de achtergebleven verf de tekst onleesbaar. Dan heft hij ineens een marslied aan, de andere mannen vallen in: D'r klinken trommels door de straat, d'r klinken laarzen over het plein, d'r klinkt een marslied van soldaten, wat zouden dat voor kerels zijn... Want vrolijk klinkt het wijd en zijd, wij brengen u de nieuwe tijd. Wij Dietsche Gouwen reiken elkaar de hand, waar WA marcheert, WA marcheert, voor volk en vaderland.

Ook van de Rode Familie van weleer is weinig over, stellen de zes weemoedig vast. De 'Rode Burcht', de Arbeiderspers aan het Hekelveld, maakte plaats voor een hotel. Het Vrije Volk, waarvan allen trouw abonnee gebleven zijn, kennen ze nog slechts in de vorm van een weekeditie. De PvdA heeft wederom regeringsverantwoordelijkheid aanvaard in afhankelijkheid van de vermaledijde 'dominees en pastoors'; het FNV is een samenwerkingsverband van het NVV met de voormalige katholieke vakvereniging. Toon Dekker in het bijzonder betreurt het, dat de 'brede Arbeidersbeweging' de onderlinge banden in media, vakbeweging en politiek heeft losgelaten. Rest nog de Vara, waarvan allen trouw lid gebleven zijn; Piet Heil bombardeerde - in zijn functie van onverwoestbaar ledenwinner - zelfs zijn vrouw tot tientjeslid. Ze waren allen bereid een groot offer te brengen, toen het de omroepvereniging een aantal jaren geleden financieel niet voor de wind ging.

Toegegeven, er is bij de omroep weinig meer terug te vinden van de strijdbaarheid van weleer. Maar de afkalving van het socialistische gedachtengoed heeft stellig te maken met het bereiken van de doelen, waarvoor eerdaags gestreden is: sociale voorzieningen, betere arbeidsomstandigheden en een redelijk inkomen voor iedereen. De Vara is - betoogt men - wel gedwongen zich, door de concurrentie van 'niet-principiele' omroepen, steeds meer op 'de massa' te richten. 'De radiogids' doorbladerend blijken inderdaad maar weinig Vara-programma's zich nog wezenlijk van het aanbod van de andere zendgemachtigden te onderscheiden; de Australische serie The Flying Doctors wordt gezien als een typische Vara-keuze, een waardige opvolger van de warm-menselijke serie Coronation Street. Met tevredenheid wordt vastgesteld, dat 'Marcel' de Arbeidersomroep er na jaren van kwakkelen weer bovenop geholpen heeft, al wordt betreurd dat - onder druk van de platenindustrie - maatschappelijk getinte liederen bij de Vara niet meer aan bod komen.

De tv-coryfeeen die als typische Vara-vertegenwoordigers golden, zagen de reunisten met lede ogen naar de concurrentie vertrekken. Hans Wolder constateert fijntjes dat voor die mensen de Vara als 'kaderschool' heeft gefungeerd. Toon Dekker riposteert strijdlustig: ' Ik denk dan altijd aan Willem van Cappellen. Hij verdiende 24 gulden bij de Vara. Toen zei de Avro: Je kunt bij ons 40 gulden verdienen. Waarop hij zei: Ik ben arbeider, ik blijf bij de Arbeidersomroep. Net als mijn vader, toen hij werkloos was; hij kon werk krijgen bij de Hembrug, wapens maken. Hij zei: ik ben anti-militarist, ik maak geen wapens. Hij heeft wekenlang met zijn kinderen zonder geld gezeten.'