De Neerlandici in de literaire kritiek bezien hun status

DEN HAAG, 3 nov. In 1930 kon de burgemeester van Den Haag bij een officiele Kloos-herdenking zonder blikken of blozen meedelen dat hij nog nooit een letter van Kloos had gelezen. Of de huidige burgemeester zich net zo ongeletterd zou durven tonen, hield professor J. J. Oversteegen gistermiddag in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag in het midden, maar het was wel duidelijk dat hij weinig vertrouwen had in het functioneren van onze klassieken.

Oversteegen was in het algemeen nogal somber gestemd over de karakterloosheid van de Nederlandse literatuur die zich, volgens hem, anders dan de Engelse, Franse of Duitse, niet op een klassieke status kan beroepen. Hoe zijn lezing begrepen moest worden in het symposium, gewijd aan de vraag 'Hebben de neerlandici de literatuur overmeesterd?', werd niet helemaal duidelijk.

Een opvallende afwezige op dit door de Jan Campert-stichting georganiseerde symposium was Maarten 't Hart, die deze kwestie aanhangig heeft gemaakt. Ik wil niet beweren dat hij er nog iets nieuws aan toe had kunnen voegen, maar zijn afwezigheid, zo leek het wel, verleidde drie van de vier sprekers ertoe zich weinig aan deze vraag gelegen te laten liggen. Zij werd in elk geval niet beantwoord. En eigenlijk hoeft dat ook niet, omdat de hele kwestie wat futiel is.

Tom van Deel (Trouw), die er als enige helder en duidelijk op inging, vroeg zich af waarom het opmerkelijk of zelfs verontrustend zou zijn, dat veel neerlandici zich, als criticus bijvoorbeeld, met literatuur bezighouden. 'Het zou dwaas zijn', zo merkte hij op 'om te veronderstellen dat beunhazerij, in de zin van: nauwelijks weet hebben van wat literatuur is, een voordeel zou zijn in de literaire kritiek.' Hij voegde eraan toe dat men natuurlijk geen Nederlands hoeft te hebben gestudeerd om kritieken te kunnen schrijven, zoals door Maarten 't Hart zelf en vele anderen is bewezen. Wel waren alle sprekers het erover eens dat men daarvoor behalve een ruime belezenheid ook schrijftalent moet hebben en veel 'gevoel' voor literatuur.

Carel Peeters en Marja Brouwers gingen in op de manier waarop de literaire kritiek functioneert, of zou behoren te functioneren. Twee besprekingen uit NRC Handelsblad moesten daarbij als slechte voorbeelden dienen. Carel Peeters hield een pleidooi voor de zo breed mogelijk georienteerde criticus, maar hij wilde niet verhelen dat er in Nederland ook wel eens, zoals hij ze noemde, zachte eitjes, wildemannen en floddermajoors werkzaam zijn. Tot die laatste categorie rekende hij Reinjan Mulder naar aanleiding van diens bespreking van Zomervlucht van Jeroen Brouwers, waarin hij zich, volgens Peeters, onvoldoende verdiept had in de roman. Misschien had Reinjan Mulder toch beter Nederlands kunnen studeren, zei hij ironisch. Maar Marja Brouwers zette in haar betoog deze zaak weer recht, door de neerlandicus te hekelen, die ongunstig over haar laatste boek De lichtjager had geschreven. Zij verweet mij (want ik was de boosdoener) onder meer dat ik een onpersoonlijk, want aan Jaap Goedegebuuren ontleend oordeel had geveld over haar roman. Onpersoonlijkheid, karakterloosheid, die meende zij in het algemeen in de literaire kritiek aan te treffen, heel anders dan in landen als Engeland, Frankrijk en Duitsland. Zo kwam de middag toch nog mooi rond.