Buitenlandse zaken

Het lot van Sir Geoffrey Howe en Hans van den Broek roept jeugdherinneringen op. Het was 6 december 1986. Nederlanders overzee hebben op die dag van het jaar vaak last van onthoudingsverschijnselen. Ook als de zee in kwestie de Noordzee is, en de plaats van samenkomst het Queen Elizabeth II centrum, tegenover de Westminster Abbey. De zoveelste Europese top was net afgelopen. De minister-president ging de Nederlandse pers meedelen wat er was besloten.

Van Agt zou hebben verteld dat er iets gewichtigs van diplomatieke aard was besproken, 'waar collega Chris U fluks het fijne van zal releveren, zo ge dat verkiest boven een pint'. Of er was een gewichtig financieel akkoord in de groep gegooid, waar 'die nijvere Ruud op het thuisfront in Den Haag' vast bollebozerige becijferingen aan zou wijden.

Eenmaal zelf eerste minister trok Lubbers in binnen-en buitenland aandacht door zijn kennis van ieder denkbaar onderwerp van bespreking. Sinds hij het land bestuurt is voor iedereen die in Den Haag een beetje wil meekomen het woord 'dossier' verplicht taalgebruik. Het enige dat niet algemeen is opgepikt, is Zijn vermogen te beheersen wat Hij een keer in zo'n dossier heeft gelezen. Dat ligt aan hem, daar hoeft de taak van de minister-president in de Grondwet niet voor te worden veranderd.

Op die sinterklaas-zaterdag kwam hij een beetje lacherig tot ons. Ja, de besprekingen waren, hoe zal ik het zeggen, niet gekenmerkt geweest door grote politieke adversiteit. De Britse voorzitter had de actuele onderwerpen niet op de agenda gezet, begrijpelijk, ze had als gastvrouw geen ruzie willen leiden tussen haarzelf en de andere elf. Op haar aandringen was iets ferms over AIDS en terrorisme besloten.

De indruk leek gewettigd dat de premier zich een beetje had zitten vervelen op de top. Waarschijnlijk had hij zijn dossiers voor de volgende week al af. En was toen maar een sinterklaasvers gaan zitten dichten, dat hij met iets van suikergoed in de blik uit zijn binnenzak haalde. Het ging een beetje over Europees beleid, ook over die Mevrouw, en meer nog over de aanwezigen, uw verslaggever incluis. Het gedicht was spottend en toch aardig - in enkele geisoleerde gevallen was zelfs sprake van rijm. Het had vooral de charme de tijd die voor zo'n briefing staat te vullen.

O ja, de minister van buitenlandse zaken was er ook. Hij en zijn soortgenoten lijken op zulke bijeenkomsten net topambtenaren, al of niet met een goede entree bij hun chefs. Het meest theatraal is dat bij de Fransen, die in het buitenland met een drietrapsraket verschijnen: eerst de president, die langzaam spreekt en niet te veel zegt maar wel de baas is, dan de premier die minder de baas is, en tenslotte ook nog de minister van buitenlandse zaken de man die soms Engels spreekt of een ander kunstje kent.

Het hoge ambt van Opsteller en eerste Bezorger van 's lands politiek ten opzichte van de rest van de wereld is in veel landen aan erosie onderhevig. Van den Broek heeft nog het voordeel dat hij bezwaar kan maken tegen het opdringen van de minister-president op zijn terrein. Hij ervaart wat zijn ambassadeurs in Europa en de VS steeds vaker overvalt: iedereen is overal.

Elke hoofdstad is in een uur of wat bereisbaar voor ambtenaren en ministers die met enig vraagstuk bezig zijn. Dat leidt soms tot coordinatie-probleempjes, maar het kan effectiever zijn dat de minister voor sneltreinen even een middag met zijn of haar evenknie komt praten desnoods zonder goede manieren dan dat een diplomaat op de Quai d'Orsay vraagt wie er in Parijs over sneltreinen gaat, om 's anderendaags met de betreffende ambtenaar een minder geinformeerd gesprek te hebben.

Lubbers maakt het karwei van de relatieve degradatie van Buitenlandse Zaken nu 'aan de bovenkant' af. Luns was de laatste bewindsman van BZ die zijn premier in de binnenzak meenam naar bijeenkomsten in den vreemde. Ministers van BZ worden sindsdien op bijeenkomsten die er toe doen steeds meer overvleugeld door hun premiers. De nu kennelijk opgelopen spanning tussen Lubbers en Van den Broek (waarover Kees Lunshof dinsdag in De Telegraaf als eerste berichtte) is hoogstens een nieuwe fase in dat proces.

Moge Van den Broek troost putten uit de smartelijke bejegening waar zijn ex-collega sir Geoffrey Howe eergisteren definitief onder is bezweken. Toen hij in 1983 minister van buitenlande zaken werd in het tweede kabinet van mevrouw Thatcher wist niemand of dat een gebaar van dank jegens haar moedige eerste monetaristische minister van financien was, of een subtiele manier om het Foreign Office een prop in de mond te stoppen.

De Britse minister van BZ, overbuurman van de premier, heeft de mooiste werkkamer van de twee. Dat vergoedt voor de bezoeker veel wanneer de vaste bewoner van die kamer het grootst mogelijke tegendeel van een demagoog is. Met enige regelmaat mocht ik daar met een paar collega's uit andere Europese landen aanschuiven om de finesses van het Britse buitenlands beleid te vernemen. Steeds stonden we na afloop buiten met de vraag: wat heeft hij gezegd? Heeft ie wat gezegd?

E en gemeenschappelijke vrien din, die Sir Geoffrey kende uit de Bow Group, een mild-vooruitstrevende beweging binnen de Conservatieve partij, nodigde me in die tijd uit hem van dichterbij te komen horen en waarderen in de ontspannen omgeving van een dinner-party. Als held van Nauwelijks Rechts zou de minister in Lambeth partijgenoten een hart onder de riem komen steken. Daar waren zij aan toe, in een van de meest socialistische districten van Londen.

Een grote pan ondoorgrondelijke soep, een glas herlderpaarse Chateau Plonk en een plastic teiltje voor vrijwillige bijdragen wezen op politieke gezelligheid. Het toetje, cheddar met selderijstengels, was al op toen Sir Geoffrey en zijn vrouw Elspeth arriveerden. Gelukkig werden we gewaarschuwd dat hij zou gaan spreken, anders had niemand het gemerkt. Mijn overbuurman, een acountant, legde uit dat Sir Geoffrey een door en door fatsoenlijke en humoristische man was.

Thatcher moet dat geweten hebben. Maar toen hij een eigen mening kreeg, over het pond en Europa, werd hij bij de eerstvolgende kabinetswijziging, die van 1989, gedegradeerd tot vice-premier en koetsier van het Lagerhuis. Deze week prees de Dame van Downingstreet hem nog een keer de hel in. Met zijn laatste restje zelfrespect verkoos hij de overvolle banken der afgetredenen.

De een zijn paspoort is de ander zijn pasmunt, in het Europa van de premiers.

    • Marc Chavannes