Wat wij zien en horen

Het klinkt een beetje vreemd, maar onze papa is in de kathedraal van Amiens door een overdankbare bedelares in de aderen op zijn hand gebeten. Tijdens de herfstvakantie in Frankrijk. Hijzelf zegt dat ze ze alleen maar beknaagde en dat het niet eens een onprettig gevoel was. Maar er zat een behoorlijk rode plek in zijn huid en als ze doorgebeten had, had hij wel Aids kunnen oplopen. Hij heeft soms van die opgezwollen aderen op zijn handen waar je bang van wordt. Dan denk je eraan dat als hij zich zou snijden het bloed tegen het plafond zou spatten. En die bedelares, die eruitzag alsof Breugel haar geschilderd had, had groezelige stompjes tanden. Het is geen kunst om je door een lieftallige madonna met melktandjes te laten besabbelen, dat zou nou iedereen doen, zei hij. Maar om door zo'n afzichtelijke helleveeg je hand te laten grijpen en hem tot op haar tandvlees te laten beknagen, dat is wel wat anders.

Toen we de kathedraal binnenkwamen was het er heel stil als in een woud. Het was net of die enorme ruimte boven je hoofd tot in de wolken reikte.

We mochten een heleboel grote kaarsen kopen en aansteken en op de standaard plaatsen. En toen kwam ineens die bedelares uit de schaduw te voorschijn als een geestverschijning. Ze was gehuld in een doek en ze had ook een doek om haar hoofd en woeste donkere ogen. Onze papa zei dat hij de neiging had om zijn hele portemonnee op haar uitgestoken hand om te keren, maar dat hij er nog net op tijd aan dacht dat de reservesleutel van de auto en de huissleutel er ook in zaten. Toen hij haar geld gegeven had knielde ze bij hem neer en begon dat wilde besabbelen van zijn hand. Hij kon en wilde zich niet losrukken, denken we. We vonden het erg eng. Het was net of de hand van onze papa de prooi was van een slang. Maar gelukkig kwam er een soort koster die met barse stem iets tegen haar riep en toen snelde ze gauw door het middenportaal naar buiten. Op het voorplein voor de kerk begon onze mama een beetje spottend te lachen en ze zei dat het er allerminst vroom uitzag maar dat hij leek op een nogal slome Romeinse keizer die zich door een slavin liet manicuren. Maar hij zei: 'Let maar eens op. We zullen ervoor gezegend worden.' En dat is ook gebeurd, want toen we vele honderden kilometers verder in Carnac waren jullie weten wel, waar al die rijen menhirs staan waar Obelix in die strip de Romeinen van tijd tot tijd mee plet en tussen die gigantische stukken steen liepen, hoorden we hem ineens roepen: 'De zegeningen zijn niet van de lucht. Ik word ten tweeden male gekust door een nietig schepsel Gods.'

Hij was een beetje afgedwaald naar een vochtige plek onder de bomen waar allemaal stammen lagen te vergaan. toen we aangerend kwamen deed hij zijn hand open en daar lag een juweel van een landsalamander op zijn handpalm. Zwart, met heldere smaragdgroene vlekken en een fel oranje streep over de rug. Het bleek een marmersalamander te zijn. Om de beurt mochten we haar, want het was een vrouwtje, even vasthouden. Toen heeft hij het bijou, zoals hij het prachtige dier noemde, weer onder het vermolmde hout gestopt om veilig aan de winterslaap te beginnen. Later zei hij, dat toen hij het diertje oppakte meteen de rode plek op zijn hand van die knagende bedelares als bij toverslag verdwenen was. Maar onze mama zei: 'Geloof het maar niet. Die rode plek was allang verdwenen. Jullie vader is nogal een liefhebber van sprookjes.'