Voor die Vlaamse lankmoeigheid heb ik geen talent; Jozef Deleu over culturele samenwerking tussen Nederland en Belgie

In Antwerpen is gisteren de 54ste Boekenweek voor Vlaanderen begonnen. In verschillende Belgische steden zullen nog tot en met 11 november lezingen over literatuur worden gehouden, auteurs zullen hun boeken signeren en er worden enkele prijzen uitgereikt.

Centrum van alle activiteiten is de grote Boekenbeurs in het Antwerpse Bouwcentrum. Op deze beurs zullen elf dagen lang driehonderd Vlaamse en Nederlandse uitgevers in meer dan honderddertig stands hun fondsen presenteren. Bovendien vinden in twee zalen van het centrum dagelijks voorstellingen en discussies plaats, zoals een optreden van jonge Vlaamse auteurs die zichzelf aanstaande zondag aan het publiek voorstellen onder het motto: Van alle Vlaamse schrijvers lees ik het liefst mezelf.

Ter gelegenheid van de Vlaamse Boekenweek besteedt dit supplement extra aandacht aan nieuwe Vlaamse literatuur. Hans Steketee en Reinjan Mulder bezochten in Rekkem de Vlaamse schrijver en cultuurfilosoof Jozef Deleu, Noor Hellmann interviewde de schrijfster Kristien Hemmerechts, zojuist bekroond met de Belgische Staatsprijs voor Proza. P. M. Reinders las de memoires van de weduwe van Louis Paul Boon. Verder recensies van Vlaamse romans en kinderboeken.

Enkele meters voor het raam van zijn werkkamer trekt een tractor gestaag voren in de klei. Het is een Franse tractor; de laatste cijfers op het nummerbord zijn '59' en staan voor het Franse departement Nord. Jozef Deleu (53), schrijver en directeur van de Stichting Ons Erfdeel, leeft letterlijk op de grens, halverwege Kortrijk en Lille spreek uit: Rijsel. Vanuit zijn kantoorbungalow het 'Dialoogcentrum', gelegen te Rekkem aan het Smokkelaarspad, zendt Deleu nu al meer dan dertig jaar zijn tijdschriften de wereld in, ver van de stad, tussen akkers, sloten, wilgen, elektriciteitsmasten, bakstenen kerktorentjes, bunkers uit de Maginot-linie, steenkoolafval, snelwegen, cafes met 'Belga' op de gevel en cafes met 'Dubonnet'.

In een kast staan alle tot nu toe verschenen publikaties van de Stichting, de drieendertig roodleren banden van de jaargangen van Ons Erfdeel, met de jaren dikker en groter van formaat. Daaronder de delen van Septentrion, het door Deleu sinds 1972 uitgegeven Franstalige blad over Nederlandse cultuur.

Deleu pakt de eerste band van Ons Erfdeel uit de kast, uit 1957, en leest uit de tweetalige beginselverklaring voor: 'Le but de la presente revue... geleid door jongeren... is te doen kennen dat Vlamingen uit Frankrijk, Belgie en Nederland door dezelfde cultuur zijn bepaald die ... des siecles d'art leur ont laisse, enzovoort enfin, in die trant schreven wij toen, he.'

Al is de formulering inmiddels wat veranderd, de leidende gedachte achter zijn stichting is nog steeds dezelfde. Ons Erfdeel bevordert de culturele samenwerking tussen Nederlandssprekenden. In de eerste plaats gebeurt dat door middel van een Vlaams-Nederlands tijdschrift. Daarnaast maakt men de Nederlandse cultuur 'zoals zij leeft in Belgie en Nederland' bekend in het buitenland. Een derde activiteit is de uitgave van een jaarboek: De Franse Nederlanden/ Les Pays-Bas Francais, gewijd aan dat deel van Noord-Frankrijk dat sinds lange tijd nauwe banden met de Nederlanden onderhoudt.

Volgens Jozef Deleu is de onderneming die Ons Erfdeel nu inmiddels is, begonnen als 'een uit de hand gelopen studentenblad'. Toen hij een jaar of negentien was schreef hij gedichten en verhaaltjes, zeer slecht, vindt hij nu, en een paar ervan had hij opgestuurd naar de enige schrijver die hij kende, Andre Demedts. Deze zag wel wat in de jonge Deleu. Hij moedigde hem aan door te gaan en nodigde hem al snel uit voor een bijeenkomst bij hem thuis. Demedts, zo bleek, was op zoek naar iemand die een blad wilde maken dat bestemd was voor Noord-Frankrijk. 'En iedereen keek naar mij', aldus Deleu.

Neerlandsch stam

Vier maanden later was het blad er, tweetalig, met als ondertitel Notre Patrimoine, wat in het Nederlands automatisch Ons Erfdeel werd. 'De naam is niet fraai', vindt Deleu nu, 'maar ze moet maar genomen moet worden zoals ze is.' Het woord 'erfdeel' heeft in Nederland nogal eens voor verwarring gezorgd, omdat het geassocieerd werd met de Vlaamse Beweging en 'alleman van Neerlandsch stam'. Het was toen echter al te laat om een andere naam te kiezen. Deleu: 'Vrij Nederland, daar klinkt toch eigenlijk ook een pathetisch nationalisme uit. Of neem de naam van uw krant; die is nou ook niet zo opwindend.' Met de Groot-Nederlandsche, of Groot-Dietsche Gedachte heeft Ons Erfdeel nooit iets te maken gehad, 'al was het maar omdat geen van de redacteuren in een traditioneel flamingantisme is opgegroeid'. Sterker, Deleu verklaart het succes van het blad in Belgie juist uit het feit dat het altijd 'volkomen ontzuild' is geweest. 'Dat is in Vlaanderen een zeldzaamheid.'

Niet alleen is de Stichting Ons Erfdeel politiek volledig ongebonden, ook de verschillende overheden hebben nauwelijks enige invloed op wat er gebeurt. Ons Erfdeel is, zo verzekert hij, een volledig particuliere instelling. De stichting moet het grotendeels hebben van eigen inkomsten: de verkoop van abonnementen en wat wordt aangeduid als 'particulier mecenaat'. Op die manier steunen zo'n 450 donateurs, zowel particulieren als bedrijven, het werk van Ons Erfdeel zonder dat ze er veel voor terugkrijgen. Essentieel voor de mecenas, zegt Deleu, is dat hij geen inhoudelijke eisen stelt. Hij onderscheidt zich daarmee van de sponsor: 'Een sponsor wil altijd een zekere return. Die geven wij niet. Eenmaal per jaar drukken wij de namen van de schenkers af in Ons Erfdeel op een, anderhalve bladzijde, dat is alles.'

Zijn Nederlandse culturele tijdschriften doorgaans ondergebracht in benauwde hokjes waarin je nauwelijks rechtop kunt staan, de huisvesting van Ons Erfdeel is licht en ruim: kraakheldere redactielokalen, kasten met onberispelijke ordners die alle originele kopij bevatten, een jaloersmakende bibliotheek, en ten slotte onmiskenbaar pronkstuk van de onderneming een gigantische vergaderzaal waarin vijftig mensen ongestoord van gedachten kunnen wisselen.

Het 'uit de hand gelopen studentenblad' heeft sinds het begin een redactie waarin zowel Nederlanders als Vlamingen zitting hebben onder wie Anton Korteweg, directeur van het Letterkundig Museum en Frits Niessen, Kamerlid voor de PvdA en heeft inmiddels honderden meer of minder vaste medewerkers uit beide landen. Deleu: 'De eerste dertien jaar hadden we geen enkele zekerheid. Als we veel geld hadden, werden de nummers dik. Hadden we weinig, dan bleven ze dun. Zo sleepten wij ons steeds verder. De redactie was bij ons thuis. Mijn vrouw deed de administratie van die duizenden abonnementen dat ging zo niet langer. Men zei: als Deleu onder de tram komt, zitten wij met al die toestanden en met de schulden.'

Schooien

Via een wederzijdse vriend was Deleu in contact gekomen met de stichter en eerste hoofdredacteur van Le Monde, Hubert Beuve-Mery. Die adviseerde hem het blad op dezelfde leest te schoeien, waarbij een stichting het blad uitgeeft en een onafhankelijke redactie verantwoordelijk is voor de inhoud. De redactie kiest de hoofdredacteur, die tevens directeur van de stichting wordt.

Deleu liet zich overtuigen en waagde het erop. Hij nam ontslag als onderwijzer en 'zwierf' twee jaar lang door Vlaanderen en Nederland om de noodzakelijke fondsen 'samen te schooien'. In 1970 kon de Stichting worden opgericht.

Hoe algemeen-Nederlands is Ons Erfdeel nu precies? Van de oplage van 10.000 komt slechts eenderde in Nederland terecht. Deleu: 'Wij maken geen blad voor Vlaanderen alleen, maar voor de hele neerlandofonie. In het begin was het Vlaamse aandeel in de inhoud vrij groot. Vanaf 1970 is het Nederlandse aandeel echter meer dan de helft. Dat wil niet zeggen dat de verspreiding nu al helemaal in orde is. Het hemd is nog altijd nader dan de rok. Ik zeg het niet chagrijnig, maar ik stel vast dat men in Nederland met ons bestaan niet al te veel rekening houdt.' Hij wijst erop dat Vlaamse tijdschriften in Nederlandse kranten sporadisch besproken worden; 'Van alle Vlaamse bladen het Nieuw Wereldtijdschrift nog het meest.'

Zou dat niet eerder te maken hebben met de tamelijk kleurloze, weinig uitgesproken formule van Ons Erfdeel?

'Wij zijn nu eenmaal geen literair blad. Maar we voeren wel degelijk een bepaalde politiek. Al hebben we geen literaire kleur, we hebben wel een algemeen-culturele richting. De aandacht voor de Neerlandistiek extra muros de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde buiten de Nederlandse grenzen bijvoorbeeld is afkomstig van Ons Erfdeel. Wij zijn het enige blad dat daarover altijd uitvoerig heeft geschreven.

'Of neem de vertaalpolitiek. Wij zijn begonnen met het publiceren van een bibliografie van Nederlandse vertalingen. Later is dat overgenomen door de Koninklijke Bibliotheek in Brussel en Den Haag, maar in Ons Erfdeel publiceren wij daar nog altijd gedeelten uit.'

U werkt letterlijk op de rand van het Nederlandstalige gebied. Hebt u nooit overwogen naar Amsterdam te verhuizen, om iets extreems te noemen?

'Nee.'

Antwerpen dan?

'Dat wij hier zo afzonderlijk zitten heeft grote voordelen. Wanneer wij in een van die steden gevestigd zouden zijn, zouden er voortdurend mensen bij ons binnenlopen, met eigen schilderijen of zo, of om te zeuren om een bespreking van hun boekje. Daar hebben wij hier geen last van. Bovendien behoren wij nu niet tot een of ander clubje, waardoor je ingepakt, of waarmee je gebrouilleerd kunt raken. Wij hebben hier geen last van inteelt.'

Anders dan veel van zijn Vlaamse landgenoten wil Deleu niet ontkennen dat er duidelijke verschillen zijn tussen de Nederlandse en de Belgische cultuur. Hij was een van de weinigen die deze zomer begrip konden opbrengen voor het standpunt van minister d'Ancona dat de Vlaamse en de Nederlandse cultuur niet geintegreerd konden worden.

Deleu: 'Door te praten over de Nederlandse cultuur wordt de relatie tussen Vlaanderen en Nederland alleen maar getroubleerd. Ik ben een Vlaming die met een Nederlander op voet van gelijkwaardigheid wil samenwerken. Ik zeg niet 'gelijkheid'. Jullie hebben sommige dingen beter, wij ook. We moeten er niet een grote pot van maken. De verscheidenheid moet gerespecteerd worden.'

Dit standpunt geldt ook de Nederlandse taal. 'Ik gruw van een eenheids-ABN. Sommige Nederlanders zullen een woord anders zeggen dan een Vlaming. Maar dat moet zo blijven. Als ik 'onderpastoor' zeg, wil ik niet dat u daar 'kapelaan' van maakt. Beide woorden staan in Van Dale. Wie dat wil veranderen verarmt de taal.

'Vlamingen moeten vooral voorzichtig zijn dat ze niet te veel gallicismen en germanismen gebruiken, maar andere woorden kunnen juist een verrijking brengen. Het is goed dat een auteur van het formaat van Hugo Claus soms woorden gebruikt uit de tijd van Van Maerlant. Die horen er ook bij, zegt hij. En dat is ook zijn taak: nieuwe glans geven aan oude woorden.'

Grens

Deleu bewondert 'grote kleinschrijvers' als Nescio, Elsschot en Maurice Gilliams. Dat blijkt ook uit zijn eigen werk. Hij publiceerde afgezien van enkele dichtbundels, een kinderboek, essays en kort proza: 'Als schrijver weet ik wel ongeveer waar ik zit. Een oeuvre opbouwen kan ik niet wel af en toe een goede zin opschrijven.' Deze week verscheen bij Meulenhoff/Kritak Voorbij de grens, een bundeling van vier eerder verschenen boekjes met 'lyrisch proza'. In deze, aan Gilliams verwante, teksten lopen de genres gedicht, verhaal, opstel bijna in elkaar over. Het onderwerp is steeds de grens, fysiek of denkbeeldig, zoals alleen al uit de titels blijkt: 'Brieven naar de overkant', 'Gezangen uit het achterland', 'De hazen aan de kim', en 'Citoyen de la Frontiere'.

'Een grens is in zekere zin beklemmend', zegt Deleu, 'ook als-ie je niet fysiek hindert. In dit landschap hier zie je geen grens, maar zodra ik over de sloot stap voel ik het in mijn hoofd.'

Binnenkort verschijnt een boekje van Ludo Simons met als titel Het ravijn tussen Essen en Roosendaal. 'Zo is het precies: de trein rijdt door, niemand vraagt om je paspoort, en toch gaapt er een kloof. De grens is iets mythisch.'

In 'Citoyen de la Frontiere', het laatste deel uit zijn bundel beschrijft Deleu onder meer een gesprek dat hij had met Marguerite Yourcenar, niet lang voor haar dood. De Crayencour heette zij eigenlijk. Haar land van herkomst was de Westhoek, het puntje Frankrijk onder Duinkerken, waar oudere boeren nog steeds een Vlaams dialect spreken.

'Vlaanderen schenkt mij iets dat Frankrijk niet kan', heeft Yourcenar gezegd, 'de verwondering in mijn leven'. Het is 'le pays des grandes emotions'. Deleu zoon van een Franse vader en een Vlaamse moeder beaamt het volmondig: 'Een grensbewoner voelt zich aan deze kant, maar ook altijd van de andere kant. Nooit hoor je ergens helemaal bij.' En even verder: 'Waar ik sta, ben ik grens geworden, loopt de grens door mezelf heen; ze vervult mij met het besef dat ik eigenlijk niet zonder haar zou kunnen leven.'

In Vlaanderen hebben Frankrijk en Nederland altijd om de voorrang getwist. Dat heeft het karakter van de Vlamingen gevormd, zegt Deleu. Sommigen vereenzelvigen zich met een Nederland dat niet bestaat. Anderen lonken naar Parijs, de grote 'cultuurimperialist', zonder de gevaren ervan te willen inzien. Maar het merendeel van de Vlamingen beschouwt zichzelf in Deleus ogen als tweederangs Nederlanders.

'Vlaanderen is een tarweveld dat af en toe gaat liggen onder de storm en dan komt het weer stilletjes recht. Meer dan negentig keer is Frankrijk Vlaanderen binnengevallen. Wij zijn daardoor getekend, Nederland door de

jheidsdrang van de zeventiende eeuw. Daarom zijn jullie zo'n interessant, maar soms ook zo'n onaangenaam volk. Wat mij van de doorsnee Vlaming onderscheidt is mijn zin om tegen te spreken. Ik heb geen talent voor die Vlaamse lankmoedigheid. Ik heb nog nooit ervaren dat een Nederlander laatdunkend naar mij keek. Wel bevreemd, maar zo kijk ik ook vaak naar hem.'

Hoe zouden Nederland en Vlaanderen in de cultuurpolitiek moeten samenwerken?

'Ik ben tegen getheoretiseer en gefilosofeer. Sommige concrete projecten moeten Nederland en Vlaanderen samen doen, zoals het promoveren van onze eigen literatuur. De Vlaams-Nederlandse Stichting voor Vertalingen die al zolang bestond, is dit jaar gesprongen door een escalatie van onverstand. Dat is een tegennatuurlijke breuk. Dat moet gelijmd! Het is onzin om de ene stichting in het Franstalige gebied Reve te laten promoveren, en een andere Claus. Wat is dat nu! Laat ze in dezelfde mand zitten, dan weegt die korf ook zwaarder.'

Op veel andere gebieden is Vlaanderen volgens Deleu nog niet rijp voor samenwerking. 'Vergeet niet dat het Nederlands onderwijs in Vlaanderen pas in 1932 is vernederlandst. Daarvoor hadden leraren hun opleiding in het Frans gehad. Pas nu spreken onze leraren behoorlijk Nederlands.' Eersteklas auteurs als Claus en Boon en Elsschot en Gilliams kunnen dan wel naast eersteklas Nederlandse auteurs worden gezet, dat neemt niet weg dat Deleu huiverig is voor het integreren van het letterenbeleid. 'Jullie systeem van literaire fondsen is veel beter beter dan wat wij hebben. Alle proporties in acht genomen zijn er in Nederland maar liefst zeven keer meer middelen voor literatuur. Voor we nauw gaan samen werken moeten wij eerst dat varkentje wassen, in eigen huis.'

En de samenwerking in het buitenland?

'Nederland en Vlaanderen zouden in het buitenland een grotere aanwezigheidspolitiek kunnen voeren. Zo verkeert het Institut Neerlandais in Parijs nu in grote moeilijkheden. Ik heb al gezegd: laten wij daar een pak miljoenen tegenaan gooien. Laten wij daar, zeg, drie van de twaalf maanden inhuren voor Vlaamse activiteiten. Een kleine naamsverandering zou schitterend zijn: Institut des Pays-Bas et de la Flandre. Voila!'

Deleu vindt het belangrijk in dergelijke instellingen met een beetje grandeur aan te komen. 'Daarin zouden de Vlamingen aan Nederland behoorlijke adviezen kunnen geven. Dat hebben wij van de Fransen geleerd. Dus geen recepties met alleen jus d'orange! Als je in het buitenland iets voor elkaar wil krijgen moet je het je gasten naar de zin maken. Een mooie receptie, minder kan niet. Bij het bevorderen van je eigen cultuur in het buitenland zijn het de anderen die de voorwaarden dicteren.'

Mitterrand

Dezelfde regels gelden volgens Deleu voor een Nederlandstalig cultureel tijdschrift in een andere taal: 'De vraag is niet of wij het een mooi blad vinden.' Septentrion ziet er naar Nederlandse maatstaven misschien een beetje grijs uit, maar in het Franse taalgebied valt het volstrekt niet uit de toon.

Het effect is naar zijn mening dan ook evident: 'Toen Le Monde bij het staatsbezoek van Mitterrand met een katern over Les Pays-Bas kwam, stond erbij vermeld dat alle informatie voor de bijlage afkomstig was uit Septentrion. Dat laat zien dat wij onze rol voldoende hebben vervuld.'

Ook bij het Nederlandse ministerie van WVC lijkt men niet onwelwillend te staan tegenover Deleus benadering. Met enkele hoge ambtenaren voert Deleu op het ogenblik 'discrete gesprekken' over een mogelijke Engelstalige uitgave over Nederlandse cultuur, een van zijn oude idealen. Hij wil echter niets overhaasten. 'Na het falen van Delta, Holland Herald en onlangs Dutch Heights kan Nederland zich niet weer een nederlaag permitteren'.

Deleu vindt voor een dergelijk blad een eerste voorwaarde dat het het gehele Nederlandse taalgebied bestrijkt. Beide regeringen moeten het steunen, zonder dat dit de onafhankelijkheid van de redactie aantast. Bovenal wil hij de garantie dat het blad ook gezien wordt. 'Het moet te koop zijn, op minstens 500 verkooppunten, en er moet een harde kern van abonnementhouders zijn.'

De diffusiteit van de doelgroep 'de hele wereld spreekt Engels' maakt de opgave lastiger dan het uitgeven van Septentrion. De Engelstalige lezer moet zich erin herkennen. 'Anders wordt het een preek in het Engels preek over Nederland en Vlaanderen.' Daarom moeten er ook Engelsen en Amerikanen in de redactie komen...

De hoofdredacteur onderbreekt zichzelf. 'Heren, wij gaan naar Frankrijk, men verwacht ons!'. Op een steenworp afstand, net aan de andere zijde van een heuvel ligt een restaurant waar Deleu de inwendige journalist onthaalt. Op weg erheen passeren wij de grens. Een bord vermeldt dreigend dat alleen streekbewoners hier mogen oversteken. Er is geen beambte te zien.