Oud-minister Van Thijn schaart zich achter Lubbers; Steunvoor sterkere positie premier

DEN HAAG, 2 nov. Waar de 'onoverzichtelijke legitimatie van het Nederlandse premierschap', zoals de Groningse hoogleraar staatsrecht mr. J. J. Vis eens schreef, toe kan leiden, geeft de volgende anekdote aan. Aan het einde van een driedaags bezoek aan Roemenie in oktober 1969 moet premier De Jong tijdens een persconferentie de ene vraag na de andere doorschuiven naar minister Luns van buitenlandse zaken. Ze gaan over buitenlands beleid en dat is in Nederland het domein van de minister. Na een twintigtal doorgeschoven vragen besluit een geirriteerd rakende De Jong toch maar zelf eens iets te zeggen. Na een seconde van schrik grist Luns de microfoon voor De Jong weg en vervolgt hij: 'What the prime minister means is... '

In het wereldje rond het Binnenhof wordt krachtig gediscussieerd over de controverse tussen Lubbers en Van den Broek aangaande pogingen van de premier om een eigen bevoegdheid op het terrein van de buitenlandse politiek te verkrijgen. Er komen daarbij steeds meer anekdotes bovendrijven. De minister van buitenlandse zaken vervult daarin niet altijd, zoals in Roemenie, een heldenrol. In de Nieuw-Guinea-kwestie in 1960 maakte premier De Quay na een bezoek van president Kennedy aan Den Haag zonder overleg met minister Luns bekend dat Nederland weer bereid was tot overleg met Indonesie.

In een van de uitgelekte brieven als gevolg waarvan de controverse is blootgelegd, heeft Van den Broek het 'onaanvaardbaar' uitgesproken over het plan van Lubbers om in het kabinet afspraken te maken over een bevoegdheid voor de premier in de buitenlandse politiek. En als een minister in het samenspel met de premier en zijn andere collega's het 'onaanvaardbaar' laat horen, zo schijft de staatsrechtgeleerde prof. mr. A. M. Donner, 'dan dreigt de machinerie kapot te gaan en komen er onverwachte consequenties in zicht'. Een van de voornaamste taken van de minister-president, aldus Donner, is te voorkomen dat dit woord valt.

Toch lijkt Donner achter Lubbers te staan in diens poging als premier meer bevoegdheden te verwerven. In een gedenkboek ter gelegenheid van vijftig jaar ministerie van Algemene Zaken, noemt de hoogleraar het 'een nadeel' dat de premier niet veel meer is dan de eerste onder zijns gelijken. Donner beschrijft de positie van de premier wat laatdunkend als 'voorzitter van een federatie van departementshoofden'.

Van den Broek noemt het constitutioneel onjuist dat de premier als het ware sluipend zijn bevoegdheden uitbreidt. Als hij dat wil, moet hij de weg van de grondwetswijziging gaan. De staatsrechtdeskundigen staan op dit punt echter niet onverbiddelijk achter hem. De Amsterdamse hoogleraar staatsrecht mr. L. Prakke bijvoorbeeld, net als Donner een samensteller van standaardwerken die op tientallen plaatsen in Den Haag binnen handbereik staan, deelt desgevraagd mee dat een grondwetswijziging op dit punt 'niet zou misstaan', maar het kan ook zonder.

'Ik snap natuurlijk wel waarom Van den Broek dat zegt, want een grondwetswijziging vergt jaren van discussies en tegen de tijd dat de zaak is geregeld, is Lubbers al lang geen premier meer. Ik zou er echter geen probleem in zien wanneer de ministerraad zelf zou besluiten voortaan de minister-president speciale, eigen bevoegdheden te geven in de Europese Raad', aldus prof. Prakke. In de jongste druk van het door hem bewerkte 'Handboek van het Nederlandse staatsrecht' (Van der Pot-Donner) wekt Prakke zelfs de indruk de premier ten aanzien van het gehele beleid meer bevoegdheden te willen geven.

Naar zijn mening treedt de premier in Nederland feitelijk reeds als regeringsleider op: hij houdt de zaak op gang, benoemt praktisch het secretariaat, hij maakt in twijfelgevallen uit wat niet in de ministerraad komt, hij beslist bij bevoegdheidsgeschillen, hij stelt de agenda vast, hij zit de raad voor, hij beslist bij staking van stemmen, hij ziet toe op de uitvoering van besluiten.

Deze analyse wordt gedeeld door een man die zelf minister van buitenlandse zaken is geweest, oud-KVP-leider drs W. K. N. Schmelzer. In de genoemde bundel over het departement van Algemene Zaken constateert hij dat 'de minister-president, hoewel formeel eerste onder zijns gelijken, toch beduidend 'more equal' is geworden dan de collega-ministers, zijn gelijken'. Schmelzer beschrijft dit als een onvermijdelijke ontwikkeling, die hij ook niet als probleem ervaart. En op het terrein van de buitenlandse politiek heeft de oud-minister binnen het CDA bepaald invloed.

Ook uit een andere, geheel onverwachte, hoek kreeg Lubbers gisteren ineens steun, namelijk van de Amsterdamse burgemeester en oud-minister van binnenlandse zaken drs. E. van Thijn. Tijdens de presentatie van een boek van VVD-leider Bolkestein in Den Haag onderbrak Van Thijn ineens zijn toespraakje en stak hij van wal met een vurig pleidooi voor meer bevoegdheden voor de minister-president. Hij had vier hoofdargumenten: 1. de premier is historisch gezien tot in lengte van jaren de naamgever aan een kabinet; 2. feitelijk is de premier gezichtsbepalend voor het beleid en bovendien verantwoordelijk voor het personeelsbeleid van het kabinet; 3. volgens de grondwet moet er 'eenheid van beleid' zijn en er is maar een persoon die deze bewerkstelligt, de premier; 4. wat het specifieke punt van buitenlandse zaken betreft 'is het vreemd dat binnen de groep van Europese regeringsleider de Nederlandse minister-president gemuilkorfd is. Dat is uit landsbelang geen goede zaak', zei Van Thijn.

Interessant hierbij is dat Van Thijn de eerste prominente PvdA'er is die zich openlijk in de discussie mengt. Hij is bovendien in zijn partij zeer gezien. Zijn partijgenote en verre opvolgster op Binnenlandse Zaken, mevrouw Dales, vervult voor het verdere vervolg van de discussie een sleutelrol in het kabinet. De minister van binnenlandse zaken is de hoedster van het staatsbestel.

Voor vandaag staat de zaak nog niet op de agenda van het kabinet, maar voor volgende week wel. Dat geeft de beide hoofdrolspelers een weekje bedenktijd. Zij trachten beiden inmiddels de indruk te wekken alsof er niet zo veel aan de hand is. 'Op dit punt kan ik meedelen dat er terzake geen sprake is van enig probleem', schreef Lubbers, mede namens Van den Broek, gisteren in een briefje aan de Tweede Kamer. De gistermiddag met de koningin uit Ierland teruggekeerde minister van buitenlandse zaken zegt helemaal niets. Zijn departement laat weten dat alles 'business as usual' is: de beide heren hebben elkaar gisteren ontmoet tijdens het wekelijkse CDA-bewindsliedenoverleg en vervolgens is de minister gaan dineren bij de Japanse ambassadeur.