Met klompen op het parket; Trilogie van Leo Pleysier

Leo Pleysier is bijna even oud als zijn landgenote Monika van Paemel. Allebei werden zij geboren in mei van het jaar 1945; zij op 4 mei, hij 24 dagen later. In de roman De vermaledijde vaders (1985) plaatste Van Paemel het leven van haar hoofdpersoon Pamela, die zij eveneens op 4 mei 1945 geboren liet worden, nadrukkelijk in het teken van de oorlog, niet alleen van de Tweede, maar ook van de Eerste Wereldoorlog. In het autobiografisch getinte werk van Pleysier speelt de oorlog, ondanks zijn geboortejaar en ondanks het feit dat hij 'met de helm' geboren werd, geen rol van betekenis. Anders dan Van Paemel heeft hij niet de behoefte zijn leven te plaatsen in een groot verband, het verband van de oorlog, de geschiedenis van Belgie, de politiek of de taalstrijd. Hij portretteert zichzelf als een behoedzame kluizenaar, die zich verre houdt van de wereld waarin plannen gesmeed en beslissingen genomen worden. Zijn alter ego is iemand die schrijft, over zichzelf, zijn familie, zijn boerenafkomst en het Vlaamse plattelandsleven. Pais en vree heersen intussen niet op dat platteland. Het leven op de boerderij is er intiem noch genoeglijk. Tevreden ploegers, zaaiers en maaiers ziet men er niet en met kinderen en beesten wordt ruw en weinig liefdevol omgesprongen. Bovendien is het er smerig. De boerenzoon die Leo Pleysier was, voelde er zich niet op zijn gemak, zoals mag blijken uit De razernij der winderige dagen (1978): 'En altijd maar op de vlucht. Voor de schaamte. Voor de stank van de stal, de stank van het kuilvoer, de stank van varkensvlees, de stank van stieren, de stank van kalverstront. Voor het geweld.'

Toekijken en vluchten, daaruit bestond de tactiek van de jonge Pleysier die zich al snel een gespleten persoon ging voelen: half aanwezig in de harde, boerse werkelijkheid en voor de andere helft meehobbelend in een matig kunstwerk. 'Ik ben alleen maar een lichtelijk verveeld romanpersonage dat in dit geheel mee te hoop loopt, een banale figurant.'

Als men zijn experimentele boerenromans in het licht van de traditie zou willen zien, dan horen ze thuis in de sociaal-kritische traditie van Cyriel Buysse en Stijn Streuvels en niet in die van Felix Timmermans en Gerard Walschap, die het primitieve landleven bejubelden. Verder valt er bij Pleysier nog wel een vleugje Maurice Gilliams-achtige romantiek aan te treffen en doen zijn mooie, lyrische passages soms denken aan die van Ivo Michiels.

Klef

In de roman Shimmy (1987) leverde Pleysier indirect en ironisch commentaar op zijn eigen werk. Hij liet een onderwijzer tegen een schrijver zeggen dat hij eens over de gunstige ontwikkelingen op het platteland zou moeten schrijven in plaats van te blijven steken in 'het drab van een aftands en klef dorpsgezeur waaraan niemand nog een boodschap heeft.' Veel vooruitgang is er inderdaad niet te vinden in zijn werk. Des te meer kijkt men achteruit, naar de minder mooie kanten van het leven, waarvan eigenlijk maar een ding met zekerheid te zeggen valt: dat het voorbij gaat en meestal zonder dat er een spoor van achterblijft.

Een drabbige of kleffe indruk maakt het werk van Pleysier trouwens allerminst en dat komt geloof ik vooral, omdat hij zich bij deze treurige gang van zaken niet wenst neer te leggen. Het meest onverbloemd stelde hij zich teweer tegen de dood in Wit is altijd schoon (1988), het boek waarmee hij, na 17 jaar in betrekkelijke stilte te hebben geschreven, zich een algemenere bekendheid verwierf met een nominatie voor de Ako-literatuurprijs. In deze roman liet hij zijn overleden moeder aan het woord: een formidabele en trouwens ook nogal montere kletskous, die haar zoon, voordat zij gekist werd, nog even wat instructies en inlichtingen verschafte. Een postuum eerbetoon, kun je zeggen aan een vrouw die wel al eerder, maar niet zo uitgebreid aan bod kwam in zijn werk.

Leo Pleysier behoort tot het type schrijver dat met weinig gegevens toekan. Hij hoeft het niet in het groot te zoeken, omdat hij nog steeds genoeg heeft aan wat hij in zijn jeugd hoorde en zag. Bovendien is hij een geducht hernemer, een woekeraar met woorden, die zich zo zuiver mogelijk probeert uit te drukken. In 1983 voltooide hij een trilogie die zich in zijn geboortestreek, het Vlaamse Kempenland, afspeelt. De drie delen, De razernij der winderige dagen (1978), De weg naar Kralingen (1981) en Kop in kas (1983) zijn nu bijeengebracht onder de lelijke titel Waar was ik weer? Die titel vormt meteen ook de enige dissonant in het hernomen project. Pleysier herzag alle drie delen van de trilogie, vooral in stilistisch opzicht. De nieuwe versie is schrijftaliger dan de vroegere en doet iets koeler, Nederlandser zou ik haast zeggen, aan, zonder dat het onmiskenbaar Vlaamse, lichtvoetige karakter van de trilogie geweld is aangedaan.

De trilogie is streekgebonden, maar te weinig vertellend en te fragmentarisch om tot de streekromans gerekend te kunnen worden. De werkelijkheid, zo wordt meer dan eens gesuggereerd, wordt hier waargenomen als door een camera, die nu eens dit aspect belicht en dan weer dat, zonder dat er uit de verschillende beelden een eenduidige geschiedenis afgeleid kan worden. Gelukkig heeft Pleysier niet alleen een camera-oog, dat kil en objectief registreert, maar geeft hij zijn eigen ogen ook geregeld de kost. Zodat er, voor de wat ouderwetsere lezer, nog genoeg halve verhalen en anekdotes overschieten.

Charme

Pleysier neemt in het experimentele een prettige tussenpositie in. Zijn trilogie gaat evenzeer over de taal als over het platteland, evenzeer over de schrijver als over de boerenzoon. Wat eraan ten grondslag ligt is de angst om afgewezen te worden, om in opspraak te komen, hetzij bij de gewelddadige dorpsgenoten, hetzij bij de laatdunkende 'hoge heren' van de gevestigde literatuur. Die literatuur stelt hij zich voor als een geboende parketvloer waarop een boerenzoon op klompen gemakkelijk zou kunnen uitglijden. Deze spanning tussen nederige afkomst en hogere aspiraties maakt een belangrijk deel van de charme en de kracht uit van Waar was ik weer?

Maar allesoverheersend is het gevoel van schuld, de schatplicht aan zijn streekgenoten, wier land hij heeft geexploiteerd voor eigen, literair gewin. Eerst heeft hij zich van de Kempenaren vervreemd, maar nu probeert hij hun weer te bereiken en voor zich te winnen, ook al die 'personages', zoals hij ze toch maar weer noemt, die 'hier lang geleden wat hebben rondgezeuld met een koe, een paar geiten, een kruiwagen en een stel biezen manden.' Zo reanimeert hij met behulp van een foto uit 1860 een somber boerenechtpaar uit Turnhout en redt hij het leven van zijn vader en moeder, voor wie althans gelooft in literatuur en wie zou dat niet doen.