Laatste oudgediene

LONDEN, 2 nov. Sir Geoffrey Howe, vice-premier en aanvoerder van de Conservatieve Partij in het Lagerhuis, is de derde minister in het derde kabinet-Thatcher die vertrekt naar aanleiding van het onderwerp Europa. Zijn ontslag kwam plotseling, maar was in feite de logische uitkomst van een diepgaand verschil van mening met Margaret Thatcher over de manier waarop de toekomst van Groot-Brittannie in Europa moet worden verankerd.

Geoffrey Howe was de laatste van de mannen van het eerste uur, de generatie oudgedienden die in 1979 meteen door haar waren uitgenodigd in een Conservatief kabinet onder haar leiding zitting te nemen. Hij behoorde, eerst als minister van financien en daarna als minister van buitenlandse zaken, tot de eerste architecten van wat de Thatcher-revolutie heet en heeft haar onschatbare diensten bewezen.

Maar persoonlijk boterde het niet meer tussen de twee, sinds de premier Howe vorig jaar onttroonde als minister van buitenlandse zaken en hem afscheepte met de titel vice-premier een titel waarvan ze vervolgens liet weten dat die niets voorstelde.

Die politieke en persoonlijke vernedering was, naar algemeen wordt aangenomen, de beloning voor het feit dat hij haar samen met de minister van financien Nigel Lawson, binnen het kabinet zodanig had weten te bespelen dat ze bij de Europese top in juni 1989 onder voorwaarden, maar eindelijk akkoord was gegaan met het principe van toetreding van Engeland tot het Europese wisselkoerssysteem.

Drie maanden na dato, in oktober van het vorig jaar, pakte Nigel Lawson zijn biezen, moe van de permanente ondermijning van zijn pro-Europese opstelling door de premier en haar economisch adviseur Sir Alan Walters. Nu, enkele dagen na een topontmoeting in Rome waar Mrs Thatcher zich opnieuw isoleerde, trekt Geoffrey Howe de consequentie.

Pag.5: Vervolg

De stand Europa tegen Europa in vertrekkende ministers staat daarmee op twee-een: Nicholas Ridley, de minister van handel en industrie, moest deze zomer vertrekken omdat hij rabiaat tegen Europese eenwording is, onder meer omdat hij de Duitsers niet vertrouwt. Dat standpunt kwam weliswaar dichtbij de overtuiging van premier Thatcher, maar kon toch niet in die bewoordingen, in een interview in The Spectator, overeind blijven. Ridley moest, na lang aarzelen aan regeringszijde, uiteindelijk toch gaan.

Het vertrek van Howe, een man die binnen en buiten de partij hogelijk wordt gewaardeerd voor zijn kundigheid, ervaring en beminnelijke stijl van optreden, spitst nu opnieuw alle aandacht op de scherpe verdeeldheid onder de Conservatieven over verdergaande Europese integratie. Howe hield tijdens het laatste Conservatieve partijcongres nog een wanhopig pleidooi voor een constructieve opstelling van Groot-Brittannie binnen Europa en voor wat hij noemde 'het niet missen van de laatste trein'. Die oproep herhaalde hij het afgelopen weekeinde in een interview, op hetzelfde moment dat mevrouw Thatcher haar collega-regeringsleiders in Rome de les las en voorhield dat ze, als enige, niet bereid was een tweede stap op weg naar monetaire eenheid te zetten.

De uiteindelijke druppel die de emmer deed overlopen, moet voor Howe het Lagerhuisdebat van afgelopen dindsdag zijn geweest, waar de premier in feite aangaf dat ze bereid was nieuwe verkiezingen in te gaan op het beginsel van soevereiniteit tegenover monetaire eenwording, zoals uitgedrukt in een gemeenschappelijke munt. Howe zat uitdrukkingsloos op de voorste regeringsbank terwijl naast hem Margaret Thatcher met vuur betoogde dat de rest van Europa 'zwetste' ('they are in cloud-cuckoo-land'). Toen oppositieleider Neil Kinnock de premier tergend vroeg de uitlatingen van haar 'honorouble friend' Geoffrey Howe ook voor haar rekening te nemen, weigerde ze hem met zoveel woorden te verdedigen. Kinnock gisteravond: 'Daardoor werd zijn positie onhoudbaar. Mrs Thatcher is nu gebeten door de man die ze behandeld heeft als was hij haar deurmat en ze verdient het.'

Na het vertrek van Howe resten in het kabinet nog twee uitgesproken pro-Europeanen, de huidige minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, en de man die Groot-Brittannie uiteindelijk vorige maand de EMS binnenvoerde, minister van financien John Major. De Conservatieve achterban is gespleten en beide zijden houden nu vol dat hun visie zal overwinnen.

Partijvoorzitter Kenneth Baker kampt nu met het vooruitzicht van verkiezingen in uiterlijk de zomer van 1992, waarin de kiezer geconfronteerd wordt met een partij waarin de zittende premier zich geisoleerd heeft in Europa en binnenslands gezien wordt als iemand die de loyaliteit van haar ministers verliest. Voeg dat bij de voortdurende achterstand van de Conservatieven in de opiniepielingen, bij het aanhoudend slechte nieuws over de economie en bij de beginnende twijfel over Thatchers onverzoenlijke opstelling in de Golf en de vraag ligt voor de hand: heeft deze partij de juiste leider om verzekerd te zijn van macht in de volgende regeerperiode?

Tot nu toe werd aangenomen dat de dreigende oorlog in de Golf en de geur van nationaal belang daaromheen een nieuwe strijd om het leiderschap van de Conservatieve Partij uitsloot. Maar na de stap van de getergde Geoffrey Howe, zo is de speculatie, zou de maat voor een aantal backbenchers wel eens zo vol kunnen zijn dat ze hem overhalen zich volgende maand als tegenkandidaat te melden. Dat zou de weg vrijmaken voor andere potentiele kandidaten om onder het excuus 'de jacht is nu toch eenmaal open' eveneens een gooi naar het leiderschap te doen.

De kandidaten die dan in de strijd zouden komen zijn Michael Heseltine, ook al een voormalige minister die in zekere zin over Europa is gevallen, mogelijk Douglas Hurd en Kenneth Baker zelf. Van John Major, Thatchers huidige lieveling, zou moeten worden afgewacht of hij al zou durven. Maar een ding is zeker: een dergelijke wedloop zou zo vroeg mogelijk zijn beslag moeten krijgen en de verkiezingen zouden moeten worden verschoven naar de verst mogelijke datum. Een Conservatieve Partij die met een ander gezicht de verkiezingen in zou gaan, daar zou het volk na elf jaar toch echt even aan moeten wennen.