IJs dat zingt

Kamiel Vanhole moet een onvermoeibaar reiziger zijn. De verhalen in zijn debuutbundel Een demon in Brussel, die het midden houden tussen reisbeschrijvingen en essays, beslaan een periode van zeven jaar en in die tijd heeft hij niet alleen de Borinage doorkruist, op zoek naar Van Gogh, en het loopgravengebied uit de Eerste Wereldoorlog, maar heeft hij ook Lissabon goed leren kennen, door Transsylvanie rondgereden, Sofia bezocht en Carnac bekeken. Daarbij moet hij een grote gevoeligheid en een ongewoon goed geheugen bezitten voor sfeer en stemming. Voor dramatische gebeurtenissen of sterke verhalen ben je bij hem aan het verkeerde adres. Daarvoor heeft hij geen belangstelling, evenmin als voor de statistische gegevens over de streek die hij bereist. Wat hem treft is de kleur van de grond, de beweging van de bomen, de geur van de avond. Aan wat hevig is lijkt hij voorbij te gaan en hij blijft staan bij wat verstild is: een oude man die op een hekje een pijp zit te roken en naar nestelende ooievaars kijkt. Dat betekent ook weer niet dat de politieke situatie of de geschiedenis van een land hem niet raken. Zijn verhaal over Transsylvanie dateert van 1983 en voor het Roemeense regime heeft hij geen goed woord over. Soms wil hij het een beetje te mooi maken 'ijs dat zingt en zindert van pijn' en soms ook doet het fijnzinnige en gedempte je verlangen naar iets heftigers. Hij is, zoals men vroeger zei, een schilder met de pen, en dan niet van ruig geborstelde taferelen maar van precies getekende en zacht gekleurde aquarellen.