Gestommel in de studio; De restauratie van authentiekegeluidsopnamen

De 'authentieke opnamen' op een nieuwe verzamel-cd van Louis Davids hebben een auditieve bewerking ondergaan, waardoor veel spetters, krassen en tikken van het oude materiaal verdwenen zijn. Geluidsrestauratie is echter een omstreden onderwerp: hoeveel van het oorspronkelijke geluid gaat erdoor verloren? 'Sommigen vinden dat er eigenlijk een beetje ruis bij moet, omdat het anders niet echt klinkt.'

De dunne, geknepen stem klinkt nog glashelder, en achter hem wordt er door het Engelse studio-orkestje naar hartelust op losgeblazen. Louis Davids nam voor zijn cabaretrepertoire geen genoegen meer met de traditionele piano, die hem op het toneel altijd begeleidde. Hij wenste mee te gaan met zijn tijd en trok naar de later door de Beatles beroemd geworden Abbey Road-studio in Londen, waar geroutineerde musici uit de populaire dansorkesten van die tijd de moderne klankkleur konden creeren, die hij in het begin van de jaren dertig in eigen land niet kon vinden. Hij besloot zelfs, naast de puur-Nederlandse genrestukjes van Jacques van Tol, internationale hits op te nemen als een crooner bij een zwijmelorkestje. Naast het navrante Zuiderzee en het meeslepende Weekend in Scheveningen, nam hij nu ook nummers op als Why shouldn't I en It was so beautiful, gedeeltelijk in het Engels. 'Hij had zich ontwikkeld, sprak zijn talen, alles zelfstudie, en koketteerde daar graag mee, ' schrijft Jacques Kloters in het informatieve boekje bij een nieuwe cd met Davids-materiaal.

Het is de tweede cd die EMI van Louis Davids uitbrengt. Op het hoesje staat, net als op de vorig jaar verschenen eerste, dat het hier 'authentieke geluidsopnamen uit de EMI-archieven' betreft. Maar hoe authentiek is authentiek? De oorspronkelijke masters, waarvan in de jaren dertig de platen werden geperst, zijn al in de jaren zestig weggegooid. Originele 78-toerenplaten zijn schaars. In de jaren vijftig heeft de platenmaatschappij bandkopieen vervaardigd van de schellakplaten en de zwarte schijven vervolgens vernietigd. Wat op de twee cd's staat, is dus veelal afkomstig van die bandopnamen, aangevuld met 78-toerenplaten uit prive-collecties.

De geluidskwaliteit van de eerste Davids-cd was ongelijkmatig, er waren volumeverschillen en het spetterde, spatte en tikte dat het een aard had. De tweede is evenwichtiger over sommige nummers ligt nog een dikke laag ruis, maar van gespetter, gespat en getik is nauwelijks meer sprake. Dat is het werk van Harry Coster, geluidsrestaurateur te Hilversum. Zijn specialiteit is omstreden.

'In de oorspronkelijke opnamen heeft nooit ruis gezeten', zegt Coster. 'De ruis zat in het plaatmateriaal. De meeste maatschappijen mengden het schellak in de jaren dertig met papier- en katoenvezel, dat uiteindelijk vocht opneemt en uitzet. Bovendien is schellak een dierlijk materiaal, dat na verloop van tijd dus ook gaat werken. Het waren die platen, die na een jaar of acht tot tien gingen ruisen. Sindsdien zijn we daaraan gewend geraakt, we associeren oude opnamen met ruis. Maar die opnamen waren perfect!'

Gouden tip

Coster weet dat zo stellig, omdat hij een paar jaar geleden samen met jazz-historicus Herman Openneer de hand wist te leggen op de masters van alle vooroorlogse Deca-opnamen met Nederlandse artiesten. Een tip van een Londense verzamelaar bracht hen op het spoor. Coryfeeen als Lou Bandy, Dick Willebrandts, Johnny en Jones en de Ramblers maakten hun opnamen in Nederland, waarna de hier vervaardigde wasplaat in een geprepareerd kistje naar Londen werd gevlogen. In de Britse hoofdstad vervaardigde men daarvan de master, een goudkleurige negatiefplaat van koper die de basis vormde voor de perserij. Al die jaren waren de masters in Londen bewaard gebleven, zonder dat iemand in Nederland zich dat realiseerde. In eigen beheer, op hun label Granny's Records, hebben Coster en Openneer daaruit compilatieplaten samengesteld.

'Toen ik voor de eerste keer van zo'n master een moederplaat had geperst, op een aangepast handpersje, kon ik mijn oren niet geloven. Je hoorde opeens alles haarscherp, zelfs gemompel en gestommel in de studio. Het was perfect opgenomen. Ik hoor wel eens van mensen, dat ze het bijna griezelig vinden om het te horen want het is alsof ze bij je in de kamer zitten te spelen. Er zijn er, die vinden dat ik er eigenlijk een beetje ruis bij had moeten mengen, omdat het anders niet echt genoeg klinkt.'

Na hun succesvolle bezoek aan het Londense Deca-archief hebben Coster en Openneer andere buitenlandse bronnen aangeboord. Ze ontdekten dat Lindstrom in Berlijn, eigenaar van het populaire Odeon-merk, in de jaren zestig alle Nederlandse masters heeft weggegooid, net als EMI in Londen. Gewoon, omdat er geen vraag meer naar was. Alleen bij Deutsche Gramophon in Hannover zou nog Nederlands materiaal kunnen liggen (Speenhoff? Davids?). Pogingen daartoe door te dringen, stuitten tot dusver af op gebrek aan medewerking van Duitse zijde. 'Natuurlijk is het in alle gevallen ideaal om van de originele masters te kunnen werken', zegt Coster, 'de maatschappijen zouden zich in feite moeten schamen dat daarvan nog maar zo weinig over is.'

Maar ook als hij met bandkopieen moet werken, zoals bij het Davids-materiaal, tracht Harry Coster de master-kwaliteit te reconstrueren. 'Ik ben begonnen met zelf gebouwde filtertjes, waarmee je wel de ruis kunt wegdrukken, maar niet de tikken en de spetters weghaalt. Nu doe ik het met de hand, waardoor ik soms een paar weken bezig ben met een band.' Voor zover het in lekentermen valt samen te vatten, brengt hij laklaagjes aan op die gedeelten van de band, waarop tikken staan. Soms kan een euvel zelfs met Tipp-ex worden verholpen. Het is precisiewerk, want bij het wegvlakken van een tik kan snel een stukje muziek mee verdwijnen. 'Wat ik daarna overhoud, is een egale ruis die ik probeer te filteren. Als de ruis in het hoorbare gebied zit, waar ook de muziek zich bevindt, valt hij niet te verwijderen. Ik probeer het altijd zo te doen, dat de ruis niet meer irriteert. Een plaat is voor meermalig gebruik en als de bijgeluiden gaan afleiden van de muziek, is het niet goed.'

Onderdrukken

EMI-producer Hans van Exter laat desgevraagd doorschemeren, dat hij sneller dan Coster geneigd is bijgeluiden intact te laten. 'Hoe je het ook wendt of keert, je bent altijd bezig geluid te onderdrukken. Ik vind niet dat je ten koste van alles moet proberen de tikken en de ruis te verwijderen; als je daardoor ook iets van het oorspronkelijke signaal weghaalt, moet je het niet doen.'

Hij voegt eraan toe, dat EMI Londen sinds kort beschikt over een computer voor geluidsrestauratie. Het apparaat heeft echter veel nadelen; de wachtlijst is lang en het gebruik kostbaar (280 gulden per minuut). Bovendien is hem uit een proef gebleken dat het resultaat niet ideaal is: 'Ik vind dat het geluid er vrij doods van wordt, het haalt nogal wat van de brille van de klank weg.'

Coster is eveneens tegenstander van de computer. 'Het werkt net niet specifiek genoeg, ' oordeelt hij. 'Er vallen gaten. Ik weet wel, dat restauratie altijd een compromis is, maar ik wil op een gegeven moment zelf de keuze kunnen maken tussen weghalen of laten zitten. Er zijn gevallen, waarbij ik zeg: liever op dit moment een klein spatje dan een gaatje in de muziek. Je kunt die keuze niet aan de computer overlaten, dat moet je op je eigen gehoor doen.'

De restaurateur zegt zich regelmatig te ergeren aan het gemak, waarmee in radioprogramma's en op compilatieplaten tikkende en ruisende 78-toerenplaten worden gebruikt alsof oud geluid per definitie slecht zou moeten zijn. Hij wijst erop dat er alleen in de populaire sector zo zorgeloos mee wordt omgesprongen. 'Voor klassieke opnamen geldt het probleem niet. Klassiek is cultuur en cultuur wordt beter beheerd. Voor zover men daar moet werken met 78-toerenplaten, zijn ze door de verzamelaars in een veel betere staat gehouden dan de populaire platen.'

In februari 1935 liep het EMI-contract met Louis Davids af. Het Nederlandse kantoor wilde het verlengen. 'Wij hebben het idee dat deze artiest, nog altijd een van de populairste wat betreft het maken van nieuwe platen met echte hits, voor ons van waarde is', schreef men aan het Londense hoofdkwartier. Maar de moedermaatschappij keek naar de cijfers en constateerde dat Davids tot dusver verlies had gemaakt. Het contract werd niet verlengd.