Gebrek aan vermoeidheid drijft mij voort; Gesprek met Gerrit Komrij in Vila Pouca de Beira

Op 7 december houdt Gerrit Komrij in de Leidse Pieterskerk de negentiende Huizinga-lezing. 'Over de noodzaak van tuinieren' luidt de titel van zijn voordracht. In zijn woning in een landelijke Portugese omgeving sprak de columnist, dichter, romancier, essayist, samensteller van bloemlezingen en criticus over zijn leven, zijn werk en de juiste toon voor op de kansel. 'Ik gebruik desnoods Emmy van Overeem of Hedy d'Ancona om het wereld- raadsel open te breken.' Laatste vraaggesprek vandeze eeuw met een geboren optimist.

Slechts weinig mensen weten dat Gerrit Komrij, de Nederlandse letterkundige die al meer dan zes jaar in Portugal verblijft, zich in zijn nieuwe vaderland maatschappelijk dienstbaar maakt op het gebied van landbouw en veehouderij. In plaatselijke couranten verzorgt hij van tijd tot tijd een rubriek met wetenswaardigheden betreffende de agricultuur. 'Daar staat bijvoorbeeld in dat je het hooi moet binnenhalen als het regent', legt de schrijver desgevraagd uit.

Beseften de Portugese boeren dat tot dusver niet?

'Jawel, jawel, maar ik illustreer dat dan met oude weerspreuken uit Duitsland, Noorwegen en Rusland en zo. Ik schrijf deze artikelen ook niet onder eigen naam maar onder pseudoniemen zoals 'Eenhoorn', 'Sagittarius' en 'Margriet'. U kent dat wel.' De schrijver onderdrukt een toch al besmuikte lach. Om vervolgens bezorgd te informeren of de titel van zijn aanstaande Huizinga-lezing niet tot misverstanden aanleiding geeft. 'Men veronderstelt toch niet dat ik het ga hebben over geraniums of zo?' Hij is gerustgesteld als hem wordt verzekerd dat wij allemaal uitsluitend zullen denken aan Voltaire en Vergilius.

Het is zondagmiddag in Vila Pouca da Beira. De maaltijd is afgeruimd, de sigaar van zijn band ontdaan en gast en bezoeker leunen achterover voor een gesprek dat in de loop van de middag allengs minder door luimige scherts en meer door ernstige overwegingen wordt gekarakteriseerd. Wat dat betreft vertoont het zekere overeenkomsten met het weer daarbuiten.

Het regent en waait rondom het grote witte huis dat aan de rand van het dorp tegenover het kerkhof ligt. Al snel zijn de bergen van de Serra de Estrela niet meer aan de horizon te zien. De wind groeit aan tot orkaansterkte en zwiept in de tuin de bladeren van de bomen en de wijnranken van hun stok. Zand stuift op uit de bouwput waar op weekdagen aan een waterpartij met kunstmatige bronnen en fonteinen wordt gewerkt. Even verderop, voorbij het zwembad, snuiven en stampen de vijf paarden van vriend Charles onrustig in hun nieuwe stal. Het wordt vroeg donker en in de haard dooft het vuur, waardoor het smaakvolle art deco-meubilair aan het oog wordt onttrokken en beide heren aan het eind van de middag zich in volstrekte duisternis tegenover elkaar bevinden en op de tast moeten reiken naar glas en fles.

Het is het laatste vraaggesprek dat Gerrit Komrij voor de eeuwwende geeft. Of dat nadrukkelijk vermeld kan worden. 'Voor het jaar tweeduizend doe ik het niet meer. Dat besluit heb ik begin dit jaar genomen toen ik in Nederland was en me ter promotie van een nieuw boek weer gewillig voor al die onzin heb geleend. Ik heb me verschrikkelijk geergerd aan de kinderachtigheid waarmee ik tegemoet werd getreden. Ik ben nooit wars geweest van publiciteit en had daarom tot dusver altijd mijn afweerschild bij me en mijn antwoorden klaar. Ik weet immers heel goed dat je in het openbaar steeds de schijn moet wekken dat je openhartig bent terwijl je in feite niks zegt. Het is allemaal volstrekt zinloos en het heeft niets met mijn eigenlijke werk te maken. Daarom hou ik er mee op. Eigenlijk is dit al een illegale gebeurtenis, een clandestien interview.'

Had afkeer van de literaire machinerie, waartoe ook vraaggesprekken behoren, ook iets te maken met het vertrek naar Portugal? Of was het louter een belastingzaak?

'Ik ben opgevoed met het idee dat iemands financiele huishouding een prive-aangelegenheid is, al heb ik geen geheimen. Ik heb nooit een bestseller geschreven, dus die zevenhonderdvijftig gulden 's jaars die ik het Koninkrijk tekort doe, betalen we ruimschoots terug in parkeerbonnen tijdens de maanden dat we in Nederland zijn. Als u het heeft over een literaire machinerie, gaat u er wellicht van uit dat ik daarvan het slachtoffer was. Het tegendeel is waar. Ik heb me juist aan die machinerie onttrokken omdat ik het gevoel had dat ik een van degenen was die manipuleerde, die aan de hendels trok. Ik dreigde daardoor mandarijnachtige eigenschappen te krijgen. Ik ben slechts enkele jaren literair criticus geweest, wie het langer doet wordt knettergek. Voor mijzelf was het schrijven van kritieken niet meer dan een fase, een fase in de manier waarop je schriftelijk op de wereld reageert. Daarom heb ik ook over televisie geschreven, doch slechts een jaar, en over architectuur. Het is toch een deerniswekkend perspectief als je zoiets je hele leven zou moeten doen?'

Toch schrijft u al bijna vijftien jaar een column op de achterpagina van NRC Handelsblad... ..die niet voor niets, met dank aan Multatuli, 'Een en ander' heet. Dat betekent dat ik er alles in kan doen wat ik wil. Er staat bijvoorbeeld weleens een gedicht in. En van de ene op de andere dag zou ik kunnen overgaan op ontboezemingen over mijn persoonlijk leven, op een wekelijks kruiswoordraadsel of op onthullingen over Portugal.'

Het gaat echter nog steeds over de Brinkmannen en over het imago van Wim Kok. Kunt u zich daar na zes jaar buitenlands verblijf en op tweeduizend kilometer afstand werkelijk nog kwaad om maken?

'Het is inderdaad niet zo dat ik hier dagelijks verontwaardigd of verongelijkt rondloop en ik moet ook toegeven dat ik weleens handenwrijvend naar mijn werkkamer wandel en onderwijl sarcastisch mompel: 'nu ga ik mij eens flink kwaad maken'. Maar dan kom ik er na verloop van tijd toch ziedend van authentieke woede weer uit. Al schrijvende heb ik mijn kwaadheid gecreeerd. Die kwaadheid is met het verstrijken van de jaren niet afgenomen. Ik denk zelfs dat het steeds erger wordt. Alleen de manier waarop ik er uiting aan geef is tegenwoordig kaler, meer voor mensen die tussen de regels kunnen lezen. Roepen, schreeuwen, uitroeptekens plaatsen dat is per slot van rekening geen literatuur.

'De geografische afstand tot Nederland speelt vrijwel geen rol. Ook toen ik in Amsterdam woonde was mijn houding al die van de buitenstaander. Ik ben altijd iemand van Mars geweest die zich afvroeg: 'wat is dit voor een land?' Zolang mijn belangstelling en mijn solidariteit op Nederland gericht blijven en ik geen verzuurde expatriate wordt die alleen maar weet te vertellen dat het overal elders beter is, kan ik evengoed van hieruit mijn pijlen afschieten. Ik ben per slot van rekening niet het land uitgejaagd, maar uit eigen vrije wil naar een iets verderop gelegen provincie van Europa verhuisd. Ik krijg hier met een geringe vertraging iedere dag de couranten uit het vaderland. Afgezien van de enkeling die zijn leven in Haagse wandelgangen moet slijten, zijn er toch geen Nederlanders die hun woede niet ontlenen aan de krant? Wat mis ik dan door hier te zijn?'

Hondepoep, ontmoetingen in de tram, het hele dagelijkse leven.

'Nu ja, goed, maar ook daarover leest men in de krant. Laten we toch ophouden met zoeken naar de drijfveren die deze bijna seniele, kwijlende oude man ertoe brengen om, met een been in het graf en tegen beter weten in, almaar door te gaan met wat hij doet. Dat ik al zo lang bezig ben ligt niet aan mij, maar aan het verstrijken van de tijd. Ikzelf denk eigenlijk dat ik pas gisteren ben begonnen en dat ik de eerste goede column nog schrijven moet. Gebrek aan vermoeidheid drijft mij voort. Ik weet trouwens niet eens of ik dat mijzelf niet voorhoud bij wijze van fopperij. Want, hoe minachtend ik er doorgaans ook over doe, ik zou natuurlijk dolgraag iemand willen zijn die op een zolderkamertje zit en door anderen in leven wordt gehouden omdat hij een of twee gedichten schrijft per jaar. En dan af en toe even de zoldertrap afdalen om een prijsje in ontvangst te nemen. Heerlijk lijkt me dat.'

Maar niet heus. U schreef onlangs dat de gedachte aan het grote lezerspubliek dat u wekelijks bereikt, u opwindt en bekoort.

'Ik ben daarin oprecht tweeslachtig. Ik denk nooit aan de mensen, aan het publiek. Wat me wel interesseert is de drukpers die omlaag gaat en letters drukt in duizendvoud. Dat het er staat en meteen eeuwig is. Onherroepbaar, zodat men na jaren nog kan zeggen: dat heb je toen en toen geschreven en niet iets anders. Terwijl je toch vaak maar heel even hebt gehad om te reageren op een ontwikkeling en niet eindeloos hebt kunnen kniezen en tobben, ciseleren en schaven. Ik heb het niet alleen over stijl maar ook over opinie. Je loopt immers zo snel achter de verkeerde mensen aan of je trapt op de verkeerde staart. Wat betreft het prijzen van abjecte denkbeelden en het bejubelen van foute regimes heeft het Nederlandse columnisme niet bepaald een blazoen dat plezierig is om naar te kijken. Maar dat geldt natuurlijk evengoed voor de rest van de wereld. Nederland is een circus, maar elders is het net zo erg. Portugal bijvoorbeeld is ook een gekkenhuis, maar hier gebiedt de beleefdheid tegenover mijn gastheren me enige terughoudendheid.'

Zijn de opvattingen over Portugal in de loop der jaren zeer veranderd? Ik herinner mij een geruchtmakend vraaggesprek met J. Rentes de Carvalho uit 1985 waarin u Portugal hemelhoog prijst ten koste van Nederland. Portugezen zouden meer innerlijke beschaving hebben en een rijker gevoelsleven, hoffelijker zijn en meer van literatuur houden. Heel het land, zei u, is 'doorstraald van een menselijkheid en een hartelijkheid die de kille noorderling wel als ongebruikelijk moet voorkomen.'

'Zoals u weet is het niet alleen een juridische maar ook een literaire wet dat interviews het geestelijk eigendom van de vragensteller zijn, en niet van de geinterviewde. Ik wist helemaal niets van Portugal, ik was er net een week. Misschien dat Jose Rentes, die natuurlijk een groot kenner is van het land, ons nog wat moed wilde inspreken. En de Portugezen zijn nu eenmaal, aan de buitenkant, gewoon hartelijker dan wij gewend zijn. De buitenkant is, zoals u weet, niet geheel onbelangrijk. In mijn geschriften zult u mij echter nimmer op idyllische uitspraken over exotische landen kunnen betrappen. Mijn denkbeelden over Portugal zijn in de loop der jaren niet veranderd, hoogstens verdiept. Wanneer je naar Duitsland of Frankrijk verhuist, weet je toch altijd al iets van de zeden en de cultuur; je weet wie Johnny Halliday en wie Conny Froboess is. Van Portugal dacht ik voorheen dat de mensen er na het binnenbrengen van de koeien bij de haard gingen zitten met een mooi Spaans boek.'

Toch zijn de eerste vier jaar in Alvites, in de afgelegen provincie Tras os Montes, niet meegevallen. De roman 'Over de bergen', die voor een deel op eigen ervaringen en dagboekaantekeningen is gebaseerd, kan gelezen worden als het verslag van een teleurstelling in het leven op het platteland.

'Het was daar primitiever, middeleeuwser dan hier in de buurt van Beira en Coimbra. We moesten zeven uur rijden naar de dichtstbijzijnde stad. Voor iemand uit Lissabon was het er even moeilijk geweest als het voor mensen uit Amsterdam zou kunnen zijn. Het thema van de roman is dan ook 'assimilatie'. Ik liep, nadat we er weg zijn gegaan, met een hoofd vol van vijf jaar indrukken uit een streek waar anderhalve man en een paardekop ooit zijn geweest en daar wilde ik per se iets mee doen. Daarbij heb ik toen die avantgardistische structuur bedacht die er een roman van maakt.'

Avantgardistisch?

'Nu ja, dat is ook maar een woord. We zijn in Nederland zo ouderwets dat iedere structuur die niet geheel door de vertelstroom wordt gedicteerd, meteen wordt afgewezen als abnormaal. Toch ligt daarin het onderscheid tussen een roman en een eenvoudig verhaal. Het heeft me wel geergerd dat de critici niet hebben gezien dat het bij het beschrijven van een claustrofobische ervaring werkzaam kan zijn om heel breed-uitwaaierend te beginnen en daarna het perspectief steeds verder te vernauwen, de zinnen te bekorten en naar het eind toe de vorm steeds meer de inhoud te laten benadrukken. Het boek is opgezet als een symfonie, met een largo, een adagio en een stacato. Ik heb er een jaar over lopen ijsberen en het toen, net als ieder goed muziekstukkie, in twee maanden opgeschreven. Dat kan, wanneer je werkdagen maakt van 's ochtends vijf tot 's avonds elf. Maar als de heren critici het mislukt vinden, dan zal dat wel zo zijn. Ter geruststelling kan ik zeggen dat ik nu Dickens op mijn nachtkastje heb liggen en iedere avond een half hoofdstukje overschrijf, zodat mijn volgende roman heel traditioneel zal worden, heel Nederlands en heel geslaagd, want volstrekt aan anderen ontleend. Ik heb geen andere keus. Of ik zou moeten wachten op een volgende generatie lezers, met meer hersens.'

U bent gekwetst.

'Ik geef toe: het heeft me meer pijn gedaan dan ik zeggen kan. Ik vond het heel erg wat er over dat boek geschreven is. Niet omdat het thema autobiografisch zou zijn. Over de bergen is lang niet zo persoonlijk als de essaybundel Humeuren en temperamenten, waar ik werkelijk heel veel van mezelf en van Charles in heb gestopt en die me van al mijn boeken misschien daarom juist het allerliefste is. Wat me in de afwijzende reacties op deze roman pijn heeft gedaan was de oppervlakkigheid, de kinderachtigheid die er uit sprak. En om te zien welke jonge redacteur die nog nooit een woord aan mijn werk had vuil gemaakt nu weer door de chef-bijvoegsel was uitgezocht om mij een veeg te geven. Nederland is wat dat betreft soms een dierentuin. Vandaar dat ik iedere morgen mijn nagels vlijmscherp slijp. Niet uit kwaadaardigheid maar om mijzelf te kunnen handhaven.'

Er werd u gebrek aan humor verweten.

'Natuurlijk! Men is bij de kachel gaan zitten met de gedachte: 'Ha! Komrij! Een satirisch boek!' Maar dat viel tegen. Als ik deze roman onder pseudoniem had geschreven, als debutant zogezegd, was er geen probleem geweest. Ik wilde echter onder mijn eigen naam, maar niet op de toon van de columnist, een boek componeren over een ernstig onderwerp en met verschillende karakters, die allemaal min of meer uit de verf moesten komen. Sarcasme en parodie waren wat mij betreft dan ook uit den boze, al is een lichte ironie, die aan de weemoed raakt, er niet vreemd aan gebleven. Maar het is toch niet larmoyant? Humoristische romans zijn altijd tijdgebonden en dit onderwerp leende zich in het geheel niet voor een humoristische benadering.'

Zijn er onderwerpen die zich niet voor humor lenen? Dat zal Emmy van Overeem ook hebben gedacht, en toch vond u haar verheven overpeinzingen een bron van vermaak.

'Laat ik dan zeggen dat mijn bedoeling met het onderwerp en de vorm die ik het wilde geven zich niet voor die aanpak leenden.'

Geldt dat ook voor de Huizinga- lezing?

'De organisatoren, de o zo respectabele organisatoren van deze lezing zullen wel gevreesd hebben dat wat ik zou gaan zeggen zeer ironisch zou zijn. Dus zal ik mijn best doen zo ernstig mogelijk uit de hoek te komen. Die Huizinga-lezing is geen grapje, dat is menens. Als we dat soort afspraken niet met ons allen volhielden bestond er geen grondwet en geen koningin. En geen papiergeld, niet te vergeten. Ik was ook wel enigszins verrast dat juist ik voor deze eervolle aangelegenheid werd gevraagd. Misschien heeft meegespeeld dat men weet hoe graag ik op de kansel sta en dat ik van mijzelf helaas al enigszins een domineesdictie bezit. Mijn eerste kennismaking met literatuur was nu eenmaal in de kerk en de eerste boeken die ik als vijf-, zesjarige kocht waren domineestoespraken en lessen voor stemheffing, met van die prachtige balkjes boven de zinnen. Die oefende ik 's avonds bij het licht van een zaklantaarn onder de dekens, zoals een ander kind de bewegingen van Batman of Arnold Schwarzenegger imiteert. Dus of ik wil of niet, ik spreek straks in de Pieterskerk met alle door de synode voorgeschreven heffingen.

'Anderzijds ben ik natuurlijk geen cultuurfilosoof en ik weet dat er zeer nauwlettend wordt geluisterd en gekeken naar de inhoud van wat je daar te berde brengt. Tenminste, wanneer je een spreker van Nederlandse afkomst bent. De buitenlandse professoren die tot nu toe de lezing hebben gehouden, hadden het wat dat betreft makkelijker. Die hebben meestal een hoofdstuk genomen uit een boek dat al bijna kant en klaar in de la lag en over drie maanden zou worden gepubliceerd. Bovendien houden ze dezelfde lezing een dag eerder in Athene en een week later in Luxemburg. Het is geen speciaal voor deze gelegenheid vervaardigd werk, maar een stukje uit hun lopend onderzoek.'

U heeft ook lopend onderzoek. De bundel 'Lof der Simpelheid' uit 1988 ging uit van een immense cultuurmoeheid en wees op de voordelen van analfabetisme. Intellectuelen en eenvoudigen van geest zouden tot heil van ons allen veel van elkaar kunnen leren. Heeft u die gedachte inmiddels verlaten, onder invloed van de teleurstelling die in 'Over de bergen' beschreven wordt?

'Ik ben geen boekhouder van mijn ideeen en ik val af en toe graag in oude denkbeelden terug, omdat ze soms nog heel aantrekkelijk zijn. Maar er zit inderdaad een grote lijn, een ontwikkeling in mijn boeken. Het zijn niet zomaar losse stukjes in een band. Voor Lof der Simpelheid is een bundel verschenen die De gelukkige schizo heette, en die titel was ook al programmatisch bedoeld. Het lange gedicht 'Twee werelden' markeert de gedachtensprong tussen Lof der Simpelheid en Over de bergen. Want het is waar dat ik in die roman terugkom van mijn liefdesverklaring aan het analfabetisme, hoewel ik er nog steeds van overtuigd ben dat de cultuur een ziekte is.

'Wanneer ik zoiets zeg, lopen de rillingen me over de rug. Als er iets is dat ik verafschuw dan is het immers het onderbrengen van denkbeelden in reeksen en systemen. Alle systemen, ook de filosofische, zijn in wezen totalitair en een voedingsbodem voor dictaturen van uiteenlopende aard en snit. Ik heb daar een aangeboren angst voor en dus zal mijn Huizinga-lezing ook geen synthese van mijn zogenaamde denken bevatten en geen samenvatting van mijn zogenaamde wereldbeeld. Het zal een lezing zijn die geheel en al over tuinieren gaat.'

Een heel klassiek, cultuurfilosofisch thema dus. Het besluit om zich verder maar tot het cultiveren van de eigen tuin te beperken komt meestal voort uit een combinatie van cultuurpessimisme en persoonlijke teleurstelling.

'U weet al meer van mijn lezing dan ikzelf. De spanning in mijn leven ontstaat bijna altijd doordat ik van nature een optimist ben en een vitalist, terwijl al mijn voorkeuren in de literatuur en de filosofie liggen bij de cultuurpessimisten en de morbide dichters. Dat levert wanneer ik moet gaan schrijven een elektrische lading op die ertoe leidt dat ik de zaken vaak anders bekijk dan anderen, dat het knettert en vonkt. In mij woedt een voortdurende strijd tussen kinderlijke vrolijkheid en de somberheid van de rede. Ik ben een analfabeet, tot het moment dat ik begin te lezen. Is het u weleens opgevallen dat boeren zich vrijwel nooit zorgen maken over de natuur? Dat doen vreemd genoeg alleen mensen die de hele dag met hun neus in de boeken zitten.

'Ik zie geen hoop voor de wereld en dat heeft mij er gelukkig altijd voor behoed om in het socialisme of dergelijke onzin te geloven. Maar ik sta wel iedere ochtend hoopvol op, gulzig en gretig om te leven. Dat kan ook niet anders. Hoe kun je nu toch leven met pessimisme? Dan moet je meteen in de oceaan springen. Op den duur zijn we daar met zijn allen natuurlijk ook mee bezig, maar eerst dansen we nog wat op de vulkaan. Je mag dat de mens niet kwalijk nemen. Hij is nu eenmaal geen genie en niet naar Gods beeld geschapen om de aarde te beheren. Hij is een uit zijn krachten gegroeid wezen dat de dingen niet meer onder controle heeft.'

En dat door u wordt aangespoord om niet verder te kijken dan de eigen tuin.

'Ha nee! Dan zal men aan mij een zware hebben. Ik werk altijd van klein naar groot. Ik gebruik desnoods Emmy van Overeem of Hedy d'Ancona om het wereldraadsel open te breken. In mijn titel gaat het dus uiteindelijk om het tuinieren in de wereld, niet alleen om het trekken van voren over het eigen erf. Ik ga proberen de mensheid toch wat mee te geven. Dat denk ik tenminste, want ik heb nog geen letter op papier en gedachten zijn uiteindelijk niet doorslaggevend bij het schrijven van zo'n stuk.'

Wat dan wel?

'De muziek. Een zin moet klinken en pas als hij goed klinkt is hij waar. Ik maak tenslotte kunst, ik bedrijf geen filosofie. Vaak ken je de cadans en de melodie van een passage al, voordat je de woorden erbij hebt. Er staat heus geen kletskoek in de eerste versie, maar je zoekt toch eindeloos door tot je precies de juiste zin hebt gecomponeerd en die leidt je dan naar de volgende gedachte. Daar komt een hoop ordinaire orkestratie bij te pas. Veel zwoegen en ploegen. Maar dat is het ambacht, dat is mijn vak.'

Hoop, Vlijt, de Landman.

'Als het maar klinkt.'

H. M. VAN DEN BRINK