Europa

De stand van zaken in de depots van de Nederlandse musea brengt de kunstwerken in gevaar. Dat moet toch de conclusie zijn van de rapporten, aanbevelingen en discussies die ons de laatste tijd zijn voorgeschoteld. Het is ook logisch: de schilderijen, om het daarbij te houden, die zich in de kelder bevinden worden waarschijnlijk minder goed gevonden dan die welke in de zalen hangen. Musea, dat weten we ook, moeten woekeren met geld en de belangrijke werken zullen meer aandacht krijgen dan de tweede keus. Voordat echter enorme bedragen worden uitgegeven aan het moeizame behoud van de tweede keus, moeten we eerst proberen of die kunstwerken niet tot eerste keus kunnen worden bevorderd. Met goede wil en een goede organisatie kan dat. Een aardig schilderij uit de school van Rembrandt is in de hoogwaardige selectie van het Rijksmuseum tweede keus maar in een kleiner museum in een provinciestad, Leiden of Delft of Gouda, kan datzelfde schilderij een gewaardeerde aanwinst zijn. Daar zullen ze er dus beter voor zorgen. In de depot-verzameling van de Rijksdienst Beeldende Kunst waren een aantal Italiaanse schilderijen uit de vijftiende en zestiende eeuw een belasting.

Nu hangt die groep in het Bonnefantenmuseum in Maastricht en daar zijn ze wat. Het Deltaplan cultuurbehoud beveelt dit soort verplaatsingen aan maar ze moeten niet tot Nederland beperkt blijven. Europa zal zich openen, of Mrs. Thatcher wil of niet, en ook de kunstbewegingen moeten continentaal worden gezien. De tweede keus in de Nederlandse depots bevat waarschijnlijk te veel van hetzelfde om op den duur verschuivingen in Nederland echt interessant te maken. Fascinerend zou het worden wanneer onderlinge ruil mogelijk werd tussen de musea in heel Europa. Daarvoor moet aan twee voorwaarden worden voldaan. De musea moeten ervan uitgaan dat ze voor elk permanent uitgeleend schilderij niet altijd iets terug kunnen krijgen. Dat is hebberig denken dat niet het doel dient: de depots leger krijgen door tweede keus schilderijen te bevorderen tot eerste keus elders.

Ten slotte moeten ook minder bedeelde landen zoals Ierland, Portugal, Griekenland of Noorwegen in de grote fancy-fair kunnen meedoen. En voorts moeten de lidstaten van de EEG het eens worden over een onderlinge 'indemnity'-regeling zodat de verplaatsingen niet door absurde verzekeringspremies worden belast. Deze oproep geldt dus, behalve mijn collega's vooral Hedy d'Ancona. Zij moet de kwestie in Brussel ter tafel brengen, en wel onmiddellijk en Van den Broek moet zijn diplomaten opjagen om de zaak naar behoren te regelen. De Europese musea gaan toch nog een grote toekomst tegemoet.