'Duurzame landbouw is mogelijk'

DEN HAAG, 2 nov. Binnen tien jaar moet een kwart van de Nederlandse landbouwgrond uit produktie worden genomen en op het resterende areaal moeten boeren zonder enige overheidssubsidie tot een natuur- en milievriendelijke produktiewijze zien te komen. Er moet in Nederland een strikte scheiding komen tussen landbouw en natuur en het areaal natuur zou met een factor twee kunnen worden uitgebreid. Het is onzinnig de landbouwer een beheerstaak in natuur- en landschapsbehoud te geven.

Dat zijn enkele van de conclusies en aanbevelingen uit een manifest van de Werkgroep 'Duurzaam samengaan van landbouw, natuur en milieu' dat vanmiddag aan de bewindslieden van het ministerie van landbouw is uitgereikt.

'Ons gezelschap bestaat beslist niet uit intellectuele beterweters, maar uit mensen die het vertrouwen van de boeren genieten en bovendien de moed hebben om met een gedurfd initiatief te komen dat de traagheid in het politieke denken over landbouw, natuur en milieu kan doorbreken', zegt de vroegere KVP-voorzitter dr.ir. Dick de Zeeuw, aanvoerder van de werkgroep die het manifest met negen stellingen opstelde.

De Zeeuw en mr. W. A. Albrecht, voorzitter van het Platform biologische landbouw en mede-initiatiefnemer, geloven er stellig in dat de voorstellen uit het manifest zijn te verwezenlijken. 'De landbouw staat immers voor een doorbraak; toen we vorig jaar december met ons plan kwamen hadden we dan ook in de kortst mogelijke tijd een hele groep mensen bij elkaar die hun nek wilden uitsteken.'

Met het gevolg dat de werkgroep De Zeeuw/Albrecht uit vogels van zeer verschillende pluimage en politieke orientering bestaat. Enerzijds echte agrarische deskundigen als oud-minister Mansholt, directeur De Veer van het Landbouw-economisch instituut (LEI) en oud-directeur generaal A.de Zeeuw van het ministerie van landbouw en diverse landbouwkundige onderzoekers en anderzijds president-directeur Wijffels van de Rabobank, de twee voormalige milieuministers Winsemius en Nijpels en experts op het gebied van natuurbeheer. In totaal had de werkgroep 14 leden.

'In onze groep', zegt Albrecht, 'stelden we vast dat boeren in de afgelopen jaren het imago hebben gekregen dat zij de grote viespeuken van het milieu zijn. Dat beeld kregen zij beslist onverdiend. Ze konden niet anders; hen was immers altijd geleerd door hun organisaties en de voorlichtingsdiensten dat ze zonder problemen konden doorgaan met produceren.'

De werkgroep wil af van het gevestigde idee dat de boerenbevolking naast haar productietaak een beheerstaak voor natuur en landschap zou hebben. Die twee functies zijn onverenigbaar, zegt De Zeeuw, want aan-landbouw-doen betekent per definitie dat de rijkdom van de natuur wordt aangetast. De landbouw moet verlost worden van de opvatting dat zij de drager en hoedster van de natuur zou zijn. Een strikte scheiding tussen het landbouwareaal (nu circa 2 miljoen hectare) en natuurgebieden waarvan nu circa 200.000 hectare is veiliggesteld, zou daarom nodig zijn.

Het natuurareaal moet volgens de werkgroep verdubbeld worden tot op zijn minst 400.000 hectare en zou uit onderling verbonden gebieden moeten bestaan. Dat netwerk van grote en kleine natuurgebieden zou niet door de mens geexploiteerd mogen worden maar het fundament kunnen vormen voor de ruimtelijke indeling van het land.

De werkgroep van Albrecht en De Zeeuw stelt dat voor de realisering van dit idee binnen tien jaar een kwart van de landbouwgronden (475.000 hectare) uit produktie wordt genomen en dan een andere, natuurvriendelijke bestemming krijgt. Dat dat geen al te stoute wensdroom is blijkt volgens Albrecht en De Zeeuw uit het onderzoeksrapport 'De Nederlandse landbouw na 2000' dat het landbouw-economisch instituut (LEI) in 1989 uitbracht. Daarin wordt geconstateerd dat er in 2005 een groot overschot aan boerengrond zal zijn.

In het agrarisch gebied dat overblijft en in stand moet blijven om ontvolking van het platteland tegen te gaan en voldoende voedsel te produceren, kunnen boeren van hun bedrijf (zonder overheidssteun van gegarandeerde prijzen en handelsverstorende subsidies) weer een echte 'economische activiteit' maken. Op dit punt sluit de werkgroep zich aan bij de in het GATT-overleg bepleite, liberalisatie van het Europese landbouwbeleid.

Net zoals de industrie allerwegen beperkt is in zijn manier van produceren, zal dat ook voor de agrarische ondernemer moeten gelden. Met het oog op het milieu moet er volgens De Zeeuw en Albrecht een 'evenwichtige landbouw' ontstaan. Volgens hen kan dat door een wettelijk kader waarin de grenzen van de toelaatbare milieuaantasting en de rechten en de plichten van de bedrijven zijn vastgelegd en moet dat alles door middel van prikkels (premies, aanloopsubsidies en heffingen) worden bereikt.

Albrecht merkt tenslotte nog op dat een en ander niet betekent dat de Nederlandse landbouw 'terug moet naar de handarbeid in de middeleeuwen' en zelfs niet naar de jaren '30, want ook de evenwichtige landbouw kan heel goed gemechaniseerd worden uitgeoefend. Hoofdzaak is naar de mening van deze voorstander van de 'biologische landbouw' dat het gebruik van krachtvoer voor vee, kunstmest en pesticiden dat in Nederland zo ontzettend veel hoger ligt dan dan in welk EG-land ook, echt geminimaliseerd zou dienen te worden.