De vaatkwast

Als Annemie de borden wast,

Gebruikt zij steeds een afwaskwast;

Want die verwijdert, moet je weten,

Aangekoekte restjes eten.

De moeilijkheid die is alleen,

Niets is eeuwig om ons heen:

Haar kwast mag haast geen kwast meer heten,

Want hij is tot de draad versleten

En lijdt aan alle vaatkwastkwalen;

Maar nieuwe zijn niet te betalen.

Annemie bleef toch nog hopen,

Totdat ze eens een leeuw zag lopen.

Ze bekeek hem blij verrast,

En riep: daar loopt mijn afwaskwast!

Zij ging naar buiten, onvervaard,

Greep het roofdier bij zijn staart,

En zonder zich verder te bezinnen

Sleepte ze 'm achterwaarts naar binnen.

De leeuw, die bitter protesteerde,

Riep dat hij dit niet accepteerde;

Zijn klauwen, scherpgepunt en lang,

Maakten krassen in de gang.

Zo trok ze 'm naar de gootsteenkast

En zei: jij wordt mijn afwaskwast.

De leeuw riep: dit botst met mijn aard,

Mij geen zeepsop aan mijn staart!

Ik ben de koning van het woud

En bovendien ben ik te oud.

Maar Annemie, doof voor vermaan,

Opende de warme kraan

En liet haar teil vol water lopen

Om de leeuwestaart daar in te dopen.

Dat had ze beter kunnen laten,

Want nu begon hij haar te haten.

Toen heeft die leeuw in een seconde

De hele Annemie verslonden,

Mompelend: 't is ongepast,

'k Ben m`e`er dan een afwaskwast.

'k Wil niet vereenzelvigd worden

Met zeepsop, schuim en schone borden.