De tandenborstel van de eeuw; Biografie van William Gerhardie

Voor de eerste vijfenveertig jaar van het leven van William Gerhardie, tot 1940, heeft Dido Davies in haar biografie 325 pagina's nodig; voor de resterende zevenendertig jaar heeft zij genoeg aan vijftig pagina's. Het is een indeling die eerder een sportheld zou doen vermoeden dan een schrijver. In het geval van Gerhardie is de verklaring, dat hij na 1940 niets meer publiceerde en weinig meer omging met mensen die de aandacht trokken. Hij was een schrijver die het opgaf omdat de grote erkenning uitbleef. Dat hebben veel anderen ook gedaan, maar hij is een bijzonder exemplaar en een biografie waard. Dido Davies behandelt hem met een verwondering en een sympathie waarin de lezer gaat delen.

Gerhardie's grootouders hadden zich, komend uit Engeland, in 1860 in Rusland gevestigd en zijn vader was een welvarende industrieel geworden. William groeide op in St. Petersburg, in een huis met vele bedienden naast de fabriek aan de Neva. Familiefoto's werden gemaakt in de balzaal; zijn vader was de eerste automobielbezitter van de stad.

Na de revolutie, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, kwam de familie berooid in Engeland aan. De ouders gingen in de stugge noordelijke industriestad Bolton in een klein huis wonen, maar William werd student in Oxford en leek bestemd voor roem en eer, toen in 1922 zijn eerste roman Futility door de kritiek goed werd ontvangen. De verkoop viel tegen, maar zijn naam was gemaakt. Drie jaar later bracht zijn tweede roman The Polyglots iets meer op en hij werd een bekende Londenaar doordat de krantenmagnaat Lord Beaverbrook, een man van grillige sympathieen, hem liet aanmoedigen door zijn bladen en hem op zoveel partijtjes vroeg, dat hij haast geen tijd overhield om te schrijven.

Op den duur gaf de steun van Beaverbrook meer last dan voordeel, maar Gerhardie maakte zich vrij en kwam in 1928 met een derde roman, de autobiografische Memoirs of a Polyglot, en in 1934 met de roman Resurrection. Sommige schrijvers en critici vonden zijn werk indrukwekkend. Evelyn Waugh zei, in bewoordingen die het goed doen als citaat, 'I have talent, but he has genius.' Hij werd ook geprezen door Katherine Mansfield, Arnold Bennett, Anthony Powell en Graham Greene, en later door Philip Toynbee en door Michael Howard, de biograaf van Shaw, die voorwoorden heeft geschreven in nieuwe uitgaven van zijn boeken.

Er komen nog steeds nieuwe uitgaven, vorig jaar weer een paar: Futility, The Polyglots en de Memoirs. Vergeten is Gerhardie niet, maar zijn verkoopcijfers zijn nooit in de buurt gekomen van die van Waugh en Greene. In 1937 meende hij de tandenborstel van de eeuw te hebben uitgevonden, met een ingebouwde pastavoorziening; als hij die aan de man kon brengen was hij binnen, maar na een jaar experimenteren bleef het mechaniekje onbevredigend werken. Het volgende jaar publiceerde hij weer een roman, die moeizaam verkocht.

In de Tweede Wereldoorlog werkte hij een tijd lang bij de BBC; daarna begon hij aan zijn vereenzaamde laatste dertig jaar in een flat in Hallam Street bij Oxford Circus. Het was niet zo dat hij meteen nooit meer iemand ontmoette. Hij stond bekend om zijn urenlange telefoongesprekken, maar hij kreeg steeds minder te maken met de wereld buiten zijn voordeur en in zijn latere jaren liet hij de gordijnen de hele dag dicht. Getrouwd was hij nooit, al had hij veel vrouwen gekend en een enkele keer overwogen om een duurzame band aan te gaan. Zijn relatie met zijn moeder was nauw en vertrouwelijk geweest; zij stierf in 1948.

Zelfvertrouwen

Af en toe liet hij uit Hallam Street van zich horen, zoals in 1967 toen hij bekend maakte dat zijn naam, tot nog toe Gerhardi, voortaan met een e aan het eind gespeld moest worden. Dante, Shakespeare en Goethe hadden ook zulke e's, was zijn argument volgens een berichtje in de Times, maar daar bleef de publiciteit toe beperkt. In 1970 kreeg hij weer wat meer belangstelling toen er voor de tweede keer (het was ook in 1947 gebeurd) een tiendelig Verzameld Werk van hem werd uitgegeven. Zoveel erkenning kreeg hij dan toch, maar het werd weer niets met de verkoop, ondanks de voorwoorden van Holroyd.

Intussen liet hij af en toe aan zijn omgeving en, als hij de kans kreeg, aan de pers, weten dat hij een meesterwerk in vier delen op stapel had staan onder de titel This Present Breath. Na zijn dood bleek dat hij 85.000 kleine vellen papier beschreven had met aantekeningen van allerlei aard, die ten dele bedoeld leken voor een roman.

In 1977 is hij gestorven, onvervuld maar getroost door de gedachte dat hij altijd een aantal bewonderaars gehad had en door de hoop dat het er meer zouden worden in zijn afwezigheid. Hoe komt het dat hij zoveel aandacht heeft getrokken met het niet-behalen van zijn succes? Ik heb nog eens in Futility en in de Memoirs gelezen en ben niet in de verleiding gekomen om ook de rest van het werk op te zoeken. Gerhardie slaat vaak een toon aan die te geestig is voor wat hij te zeggen heeft, en hij geeft zijn meningen te veel zelfvertrouwen. Zo is hij op zijn onvoordeligst bezien; uit een andere hoek bekeken brengt hij soms toch de verbeelding van zijn lezer op gang, en wanneer het niet lukt scheelt het vaak heel weinig.

Het werd door hemzelf en sommige liefhebbers altijd verkeerd gevonden om de nadruk te leggen op de Russische elementen in zijn werk. Dat mocht niet; zijn betekenis was universeel. Het lijkt mij beter om die vermaning in de wind te slaan en op te merken dat zijn vroege werk het meest betekent wanneer het de nachten van St. Petersburg oproept, en ook de nachten van Vladivostok. En niet alleen de nachten: het huis aan de rivier, de familie en de school en de Duitse gouvernante, en de arbeiders van de fabriek die in 1905 de baas gevangen namen maar hem lieten lopen toen iemand zei dat hij de Engelse socialistische leider Keir Hardie was.

De jeugd in Rusland is een deel van Gerhardie's bijzonderheid gebleven en ook voor mensen die hem ontmoetten. Hij was nooit een echte Engelsman geworden, zeiden zij tot zijn ergernis: de toon van zijn stem was anders, en hij deed veel te vlot en makkelijk tegen vrouwen.

Na Rusland kwam de glans van zijn hoopvolle tijd in de jaren twintig, met de diners bij Lord Beaverbrook; daarna de verblufte tijd toen hij verdere meesterwerken meende te schrijven die nooit aansloegen; tenslotte zijn rol van kluizenaar in Hallam Street, waar hij nu en dan toch weer de aandacht trok als man voor wie niemand aandacht had.

Hoeveel ontgoochelde schrijvers en anderen wij ook om William Gerhardie heen groeperen, hij valt op. Ontgoocheld zijn is geen kunst, maar hij maakte er iets van.