'Vergeleken bij een video is gehuurde kunst te goedkoop'

ALMERE, 1 nov. Minister d'Ancona van WVC vindt het hoog tijd dat de artoteken hun leentarieven gaan verhogen. 'Staat een gemiddelde van zes gulden per maand voor een geleend kunstwerk nog in verhouding met bijvoorbeeld het huren van video's?', zo vroeg zij zich gisteren af tijdens een symposium in Almere waar artoteekmedewerkers, kunstenaars en belangstellenden het 35-jarig bestaan van de kunstuitleen vierde.

De artoteek-leden zijn voornamelijk afkomstig uit de 'middengroepen' van de maatschappij, die er dankzij de welvaart 'een bepaalde levensstijl' op na kunnen houden, zo blijkt uit onderzoeken. Diezelfde groepen genieten dag-in-dag-uit van een kunstwerk aan de muur, terwijl het bedrag dat zij daarvoor moeten betalen 'te gering is om het schilderij of de tekening te leren waarderen'.

De artoteken doen er ook goed aan zich niet op het terrein van de musea te begeven, aldus d'Ancona. Nu de kunstuitleen hogere kwaliteitseisen wil gaan stellen bij het aankopen en huren van kunstwerken, zou men grote bevolkingsgroepen, voor wie de kunstuitleen is bedoeld, uit het oog kunnen verliezen, om 'zo verder te groeien in het circuit van kenners'. In dat geval 'begeven de kunstuitleencentra zich op het terrein van andere overheids-instellingen'. De artoteken moeten zich bij hun taken houden: bij spreiding, educatie en 'marktvergroting' voor kunstenaars. Daarbij draait het niet 'om de positie van het werk in zijn kunsthistorische context'.

De minister liet zich ook kritisch uit over het bedrijfsleven, dat steeds meer belangstelling toont voor de kunstuitleen. In sommige steden neemt het aantal bedrijfs-abonnementen met tien tot twintig procent jaarlijks toe. De artoteken spelen hierop in door afzonderlijke collecties kunstwerken aan te leggen. De 'aankleding van bedrijfsgebouwen' zou meer op het terrein van galeries en commerciele bureaus liggen. 'Juist bedrijven vallen onder de categorie 'potentiele kopers', en niet onder 'leners', aldus d'Ancona, die het ook afkeurde dat de uitleen, als zwaar gesubsidieerde sector adverteert met fiscaal aftrekbare bedrijfsabonnementen.

De belangstelling van particulieren is de laatste jaren eveneens aanzienlijk toegenomen. Daarom moeten artoteken zelf steeds meer kunstwerken huren in plaats van kopen; dat is nadelig voor het inkomen van de ruim vierduizend kunstenaars, die in 1988 gemiddeld 1.398 gulden van de artoteken ontvingen.

Op dit moment beschikken 76 kunstuitleen-instellingen over 341.200 werken, waarvan er in december vorig jaar 205.300 waren uitgeleend. In 1989 kochten de artoteken te zamen 32.300 werken in. Door publieksverkoop verdwenen er 10.800 uit de collecties. De keuze van de artoteken valt bij het aankopen en inhuren vaak op grafische bladen en tekeningen, die voordeliger zijn dan werk op linnen. Het publiek daarentegen geeft de voorkeur aan schilderijen 'met kleur', want, zoals Ton Bevers, hoogleraar kunst en cultuurwetenschap aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, gisteren stelde: 'Kleur in de beeldende kunst is voor de gemiddelde lener/koper een conventioneel houvast in een overigens weinig houvastbiedende kunst'.

In tegenstelling tot het streven van de FKU het overkoepelend orgaan van de artoteken om meer uniformiteit tussen de artoteken onderling te bewerkstelligen en om op landelijk niveau tot afspraken te komen, pleitte Bevers juist voor onderlinge verschillen. Want de groei van de nieuwe, brede middenklasse, waarop ook de minister doelde, impliceert dat de middenklasse-waarden gaan domineren en dat kunstenaars diezelfde middenklasse-waarden in hun werk integreren. De avant-garde maakt al plaats voor de 'moyen-garde', aldus Bevers.

Tijdens de forumdiscussie, waarmee het symposium werd afgesloten, bleek vooral verschil van inzicht te bestaan over de samenstelling van de onafhankelijke commissies die voor elke artoteek afzonderlijk werken van kunstenaars selecteren. Artoteek-medewerkers, die juist goed op de hoogte zijn van de wensen van het publiek, komen er nauwelijks aan te pas. Ook de leners hebben zelden inspraak in de collectievorming. Een voorstel tot de oprichting van een vereniging van leners vond echter weinig steun.