Schade passief roken niet altijd te kwantificeren

Het tussenvonnis van de rechtbank in Den Haag, afgelopen dinsdag, waarin de eis van tabaksindustrie en sigarettenfabrikanten tegen de Stichting Volksgezondheid en Roken grotendeels werd afgewezen, heeft een wijdere strekking dan de kwestie die hier aan de orde was. Juridisch ging het over de vraag of de stichting wel of niet zorgvuldig was geweest in haar uitlatingen over vermeende effecten van 'onvrijwillig passief meeroken', uitlatingen die zij deed ter gelegenheid van haar grote campagne tegen dergelijk meeroken in oktober 1987.

De uitspraak luidt dat de stichting niet over de schreef is gegaan, want dat zij dat geheel uit haar eigen visie heeft gedaan. Die visie luidt dat niet alleen roken maar ook passief roken ongezond is, een standpunt dat internationaal en nationaal wordt gedeeld en dat in ons land inmiddels zelfs in de Tabakswet is doorgedrongen. Ze past geheel in het kader van de voorlichting die de overheid aan de stichting heeft opgedragen. Het publiceren van deze stelling is niet onrechtmatig jegens de tabaksindustrie en de vorderingen op dit punt zijn afgewezen.

Maar op de achtergrond speelt natuurlijk de vraag hoe kwalijk de effecten van dergelijk onvrijwillig meeroken dan wel zijn, en dan wordt het bewijs opeens minder doorzichtig. De rechter heeft zich hierover wijselijk niet uitgesproken, integendeel, hij vraagt de stichting om de publikaties voor te leggen waaruit blijkt dat de cijfers en feiten die zij in haar campagne gebruikte berusten op wetenschappelijk onderzoek en/of wetenschappelijke publikaties. De stichting zegt daarmee geen moeite te hebben: de rechter kan enige kruiwagens met wetenschappelijke publikaties verwachten.

Stellige uitspraken

De stichting had in haar campagne wel zeer stellige uitspraken gedaan: 'Wie niet rookt weet een ding zeker: het voortdurend in de rook van anderen moeten bivakkeren gaat je niet in de koude of beter gezegd: stinkende kleren zitten. Stekende ogen, misselijkheid, benauwdheid, hoofdpijn ... 80 pct van de niet-rokers, en zelfs 25 pct van de rokers krijgt er na een tijdje last van'. Verder had de stichting 'een vermaard wetenschappelijk onderzoeker', de bejaarde sir Richard Doll uit Oxford, geciteerd. Laatstgenoemde had op het internationale kankercongres in Boedapest (1986) een voordracht gehouden waarin hij zei dat 'mogelijk tot 50 pct van de longkankers bij niet-rokers op rekening van tabaksrook in de omgeving komt'.

Zoals iedere journalist weet moet je met dit soort uitspraken reuze oppassen: als je al getallen of percentages wilt noemen moet je zeker weten dat ze zijn vastgesteld. Het vermoeden, met permissie, dat sir Richard hier de natte vinger heeft gehanteerd is sterk. Dat wil niet zeggen dat andermans rook voor niet-rokers geen problemen kan oproepen. De effecten liggen nogal ver uiteen: stinkende kleren en het ontstaan van longkanker zijn nauwelijks onder een noemer te vatten, of het zou de noemer 'overlast' moeten zijn. Juist over het verband tussen passief roken en longkanker bestond ten tijde van de campagne geen ondubbelzinnige wetenschappelijke opvatting. Sedertdien zijn er meer publikaties verschenen, laatstelijk nog in de New England Journal of Medicine (6 september). Hierin wordt geconcludeerd dat een groep van bijna tweehonderd niet-rokers, die toch longkanker hadden gekregen, hun ziekte voorzichtig berekend voor zeventien procent aan passief meeroken tijdens de jeugd en vroege volwassenheid in 'de huiselijke omgeving' mochten toerekenen.

Met andere woorden: het roken thuis door ouders, broers en zusters, alsmede het roken in de vriendenkring waaraan de kinderen praktisch dagelijks waren blootgesteld, kon voor een deel debet worden geacht aan het (veel later) optreden van longkanker. Dat is natuurlijk heel wat kwalijker dan het af en toe op kantoor in de rook zitten van een collega die graag een sigaretje of sigaartje opsteekt; daar zul je als niet-roker niet een twee drie longkanker van krijgen, nu niet en later niet. De vraag rijst of dat nu zoveel drukte waard is. Maar als we de longkanker nu eens even voor gezien houden dan zijn er nog de andere genoemde vormen van overlast, en ook die moeten we niet onderschatten. Er zijn schrijnende voorbeelden van werknemers die in een door rokers verpeste atmosfeer hun werk niet konden doen, terwijl hun klachten door collegae en bedrijfsleiding werden afgewimpeld.

Neveneffect

Sommigen zijn uitsluitend om die reden in de WAO gemanoeuvreerd, een ernstig neveneffect van passief roken. En ook als het niet zo hoog loopt, het gedwongen worden mee te roken kan een boel van de arbeidsvreugde vergallen, en dat is bepaald een gegronde reden om je ertegen te verzetten. In een tijd dat het woord milieuvervuiling eenieder voor op de tong ligt is het gedwongen meeroken een wel zeer frustrerende ervaring die bovendien dagelijks terugkomt.

Maar is die ergernis schadelijk voor de gezondheid? Als men de definitie van gezondheid hanteert zoals de World Health Organization die in de naoorlogse jaren heeft geformuleerd zeker wel. De WHO, niet tevreden met de opvatting dat het begrip gezondheid werd afgedaan met 'afwezigheid van ziekte', verving de definitie door 'een situatie van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden'. En dan is het niet zo moeilijk meer om het onvrijwillig meeroken als schadelijk voor de gezondheid te betitelen. Eigenlijk had de Stichting Volksgezondheid en Roken in haar campagne met deze benadering wel kunnen volstaan, en zich verder kunnen onthouden van het noemen van percentages longkankergevallen, en zeker van het citeren van sir Richard Doll. Daar komt bij dat sommige onderzoekers het tegendeel hebben bewezen, althans ze hebben vastgesteld 'dat een verband tussen onvrijwillig meeroken en longkanker niet is aangetoond'. Maar in feite is daarmee niet echt 'het tegendeel' aangetoond, want zo'n vaststelling laat nog volledig ruimte aan nieuw onderzoek waarin zo'n verband alsnog wordt bewezen. Voor het overige komt zij zelf gesterkt uit dit geding tevoorschijn.

Schadelijk

Onvrijwillig meeroken kan schadelijk voor de gezondheid zijn en dat mag ze gerust hardop zeggen, geen vuiltje aan de lucht. De stichting krijgt bovendien waarschijnlijk een steuntje in de rug vande Gezondheidsraad, die een advies in concept gereed heeft waarin wordt geconcludeerd dat een kankerverwekkend effect van blootstelling aan tabaksrook 'biologisch plausibel' is, onder meer omdat a). componenten van tabaksrook in het lichaam van niet-rokers zijn aangetoond, en b). in tabaksrook stoffen aanwezig zijn die carcinogeen zijn voor de mens. Het woord van de Gezondheidsraad, het adviescollege van de regering, dient zwaar te wegen, zeker niet lichter dan dat van de Surgeon General in de Verenigde Staten, waarvan de stichting al wel een rapport had overgelegd. Het is niet uitgesloten dat de rechter op de hoogte is van de inhoud van dit concept.

Wat het longkankerrisico betreft is de Gezondheidsraad overigens ook niet veel verder gekomen dan een kwalitatieve benadering: wel een plausibel verband, maar een kwantitatieve schatting van de kans acht men op dit moment niet mogelijk. Dat kortdurende blootstelling aan tabaksrook tot hart- en vaatproblemen zou kunnen leiden bij gezonde niet-rokers verwacht de Raad niet: niet-rokers met angina pectoris zouden bij hoge concentraties in rokerige ruimten wellicht incidenteel klachten kunnen krijgen, maar het lijkt er niet op dat langdurige blootstelling aan tabaksrook de kans op hart- en vaataandoeningen bij niet-rokers belangrijk doen toenemen.

Een vraag die nog is blijven liggen en waarover we in het vonnis niets terugvinden, hoewel ze wel door de eisers was aangeroerd, is of de voorlichting van de stichting Volksgezondheid en Roken als een verlengstuk van het departement van WVC mag worden beschouwd. Wel, dat valt moeilijk te ontkennen. De overheid heeft de desbetreffende campagne gefinancierd en natuurlijk heeft ze zich tevoren vergewist van de strekking van de teksten die werden gebruikt. Het zou enigszins hypocriet aandoen als men de verantwoordelijkheid geheel bij de Stichting zou leggen. Trouwens, de kans dat WVC de vingers aan deze campagne brandt lijkt gering, gezien het standpunt dat ze inmiddels luidkeels heeft uitgedragen.

    • E. J. Boer