Nederland laat zijn ware gezicht zien

Elke fotograaf, amateur of beroeps, houdt zich af en toe met het landschap bezig, al is het maar tijdens de vakantie. Zeker als hij dat in Nederland doet, worden dan eeuwenoude wetten van schilderachtigheid toegepast ter verkrijging van een illusie. In dit soort fotografie wordt meestal tegen beter weten in ontkend dat in het ene grote bestemmingsplan, dat Nederland is, geen landschap meer bestaat. Er zijn slechts de onder een recreatieve infrastructuur bezwijkende restanten van landelijkheid, die steeds benauwder ingeklemd raken tussen de meetpunten van Rijkswaterstaat, industrieschappen en projectontwikkelaars.

Desondanks is altijd wel ergens in een kasteel een fototentoonstelling te zien, waar met riet gedekte boerderijen, de weerspiegeling van een molen in een vaart, een roedel roodwild op de Veluwe, de in het Naardermeer wegzakkende avondzon de schoonheid van ons land wordt bezongen. Het geromantiseerde beeld, dat de leugen dicht nadert, weerspiegelt het in ons allen levende gevoel van onbehagen; we hebben geen vrede met de woekering van zesbaanstunnels, betonnen fly-overs en glastorens, we klampen ons vast aan het geisoleerde beeld van die ene vlierstruik aan de vliet.

Een registratie van de werkelijkheid, van het reeele Landschap in Nederland, komt aan als een vuistslag. De fotografen Andre-Pierre Lamoth en Jannes Linders hebben ons dat aangedaan met de uitvoering van de foto-opdracht die zij van het Rijksmuseum in Amsterdam kregen. Sinds 1975 worden door de afdeling Nederlandse Geschiedenis van dat museum per jaar in principe twee fotografen uitgenodigd een bepaald aspect van ons land te documenteren. De resulterende foto's worden aan de collectie toegevoegd, waardoor een steeds geactuliseerde geschiedenis blijft ontstaan. Voor het tot archivering komt, worden de fotoreeksen tentoongesteld en in boekvorm beschikbaar gemaakt. Dat gebeurt nu met de in 1988 verstrekte opdracht aan Lamoth en Linders, hun foto's vullen enkele zalen van het Rijksmuseum, het bijbehorende boek met inleidende teksten van prof.dr. Willem F. Heinemeijer en Mariette Haveman kost fl.49,50.

De fotografen waren zich welbewust van hun taak: het zodanig vastleggen van karakteristieken in het landschap, dat de generaties na ons een betrouwbaar beeld krijgen van het gezicht van Nederland omstreeks de jaren negentig van de twintigste eeuw. De nauwkeurigheid waarmee het tweetal te werk ging blijkt ook uit de precieze duiding van hun foto's, bij elke opname worden de coordinaten en de kijkrichting vermeld zodat in de vierdelige Grote Topografische Atlas tot op de centimeter kan worden nagegaan waar ze stonden. Over een eeuw kan het museum aan twee dan werkende fotografen vragen al die punten nog eens na te lopen, waardoor de vermoedelijke verdere verwording van het land kan worden bewezen.

Gefotografeerd werden nu onder meer kassen bij Nootdorp, geluidsmuren langs de wegen, met hoogbouw oprukkende steden, nieuwbouw in de Flevopolders, parkeervlakten, industrieterreinen, viaducten, wildwissels waarover het door jagers en herrie opgejaagde edelwild snelwegen kan oversteken, kortom het ware gezicht van de tot de laatste meter omgewoelde fabrieksbelt die wij nu eenmaal onvermijdelijk aan het worden zijn. Op enkele foto's kan de nazaat zien dat er hier en daar nog een boomgaard bestond of een door scheefgewaaide bomen omzoomde polderweg.

De indruk bestaat dat de 59-jarige Lamoth, die nog enige herinnering aan echte landelijkheid kan hebben, meer dan zijn jongere collega Linders (35) aandacht had voor de dramatische contrasten tussen wat er nog aan oude vertrouwde dingen over is en de bedreigende vernieuwbouw.

Toch is er in de onbarmhartige fotoreeksen ook nog iets anders te ontdekken: het besef dat we, om niet in cultuurpessimisme te verkommeren, oog en aandacht moeten krijgen voor wellicht een nieuwe schilderachtigheid, voor het pittoreske van het nu zo lelijke. Nog steeds worden we in wat buiten mooi gevonden mag worden geregeerd door maatstaven van schilders uit de zeventiende en achttiende eeuw. In de verstarde schoonheidsbeleving is domweg geen plaats voor vormen en symbolen van techniek en verkeerslast.

Lamoth en Linders laten ruimte voor een andere waardering. Ondanks hun koel-objectieve registratie streefden zij duidelijk mooie foto's na, vielen zij niet voor de trend van het neutrale die op het ogenblik mode is in de fotografie. Er is in hun werk grote aandacht voor een perfecte zwart-wit-ambachtelijkheid en voor uitgekiende composities. Tot aan de horizon verlopende rijen hoogspanningsmasten in een polder, het patroon van glaskassen in het Westland, een rotonde op een zeedijk, het kunnen positieve elementen zijn in toch zoiets als een landschap. Zelfs het grote en massale, het lelijke kan door gewenning dierbaar worden, oude gebouwen zijn nooit lelijk, zelfs een stinkfabriek van vroeger is een monument. De fotografie van Lamoth en Linders leidt tot dit soort bespiegelingen en dat is een verdienste.