Jonge asielzoekers zijn bont gezelschap

NUNSPEET, 1 nov. Een gesneuvelde ruit en slap hangende vitrage geven het bijgebouw van internaat Valentijn een triest aanzien. De villa fungeerde voorheen als school voor de internaatskinderen. Nu zijn er twintig minderjarige vluchtelingen ondergebracht. In het hoofdgebouw vinden er nog eens zestig onderdak.

Binnen blijkt de somberheid mee te vallen. De kapotte ruiten zijn het gevolg van een incident eerder vanmorgen en worden in de loop van de dag gerepareerd. 'Soms gaan er een paar door het lint. Gelukkig komt dat niet zoveel voor', zegt adjunct-directeur A. Kruese.

De slaapkamers met twee, drie of vier bedden zijn met blank hout betimmerd. Aan de muur hangen posters van popsterren, de gebruikelijke wandversiering voor kinderen tussen de twaalf en achttien. Elk van de vier groepen van twintig heeft een gezamenlijke woonkamer, waar gegeten wordt en televisie kan worden gekeken. Schoonmaken en tafeldekken doen ze zelf. De kinderen in Valentijn leiden een druk bestaan: 's ochtends en 's middags naar school, alle lessen vanaf de eerste dag in het Nederlands, elke dag een uur sport en een uur handarbeid.

Ruim een derde van de bewoners van Valentijn komt uit Somali'e, Eritrea en Ethiopie. De rest vormt een bont gezelschap: uit Syrie, Iran, Angola, Togo, Zaire en Liberia komen elk enige kinderen. Verder zijn er enkele Polen en Roemenen.

De leeftijd varieert nogal. Kruese: 'Veel kinderen zeggen dat ze zestien of zeventien zijn. Van veel van hen denken we dat ze ouder zijn dan achttien. Maar het heeft voordelen als vluchteling jonger dan achttien te zijn.' Minderjarigen hoeven niet werkeloos in een ROA-huis (Rijks Opvang Asielzoekers) af te wachten hoe hun procedure verloopt, maar kunnen ondertussen naar school en komen zo in een kansrijker positie. Ongeveer dertig van de tachtig zijn zestien of ouder. De jongste is tien. Op een stuk of zeven na zijn het allemaal jongens.

Hoe ze in Nederland terecht zijn gekomen is vaak niet duidelijk. Kruese heeft de indruk dat veel kinderen in de knel zijn geraakt omdat hun ouders in een verzetsbeweging zaten of functies bekleedden die gevaar liepen. Onder de ouderen zijn er ook die de militaire dienst in hun land willen ontlopen. Van een enkeling heeft Kruese het idee dat een heel dorp geld bijeen heeft gelegd om een kind te laten vluchten. Van velen is echter duidelijk dat ze uit rijkere milieus stammen. Ze hebben op goede scholen gezeten en spreken goed Engels, Frans of zelfs beide. Enige Somaliers zijn eerst naar Djibouti gevlucht, vandaar naar India en later via de DDR naar Nederland, vermoedt Kruese. Ze hebben hun sporen meestal zorgvuldig uitgewist, bijvoorbeeld door de visabladzijden uit hun paspoort te scheuren.

De kinderen doen het over het algemeen goed op school. Ze zijn leergierig en verstaan na een paar maanden behoorlijk Nederlands. Enkelen spreken het zelfs al. Maar lesgeven aan zo'n heterogene groep is zwaar werk. In het begin wist het personeel van Valentijn ook niets van de achtergrond van de kinderen. Een simpele vraag naar de familie kon een kind volledig overstuur doen raken. Men wist niet dat zijn ouders voor zijn ogen waren neergeschoten. Nu krijgt men via de vreemdelingenpolitie wel wat informatie. Eigenlijk mag dat niet, maar als je niets weet kun je niet werken met die kinderen, aldus Kruese.

Oorspronkelijk was Valentijn bedoeld als doorgangshuis, waar de kinderen drie, vier maanden zouden verblijven. Inmiddels is duidelijk dat de doorstroming niet zo groot is. Waar moeten ze heen? De jongste categorie zou in aanmerking komen voor plaatsing in een pleeggezin, maar dat is nauwelijks te realiseren. Er zijn al te weinig opvanggezinnen voor Nederlandse kinderen. De wat ouderen zouden naar een kamertrainingscentrum kunnen, maar ook daarvoor zijn de mogelijkheden beperkt.

    • Dick van Eijk