Japan heeft eindelijk een publiek nationaal debat ..maar misschien heb ik het mis.

Leonard Cohen.

Het was een voorrecht de afgelopen twee weken te kunnen doorbrengen in Washington en Tokio en van dichtbij de politiek te aanschouwen in de twee belangrijkste wereldsteden buiten Europa. De begrotingsperikelen van Washington hebben de meeste aandacht getrokken, maar mogelijk een krachtiger woord is riskant zal hetgeen aan de andere kant van de Stille Oceaan gebeurt, op de lange termijn net zo belangrijk blijken.

Het is een onbetwistbaar feit dat Japan een uniek fenomeen beleeft, een waarlijk openbaar debat, hetgeen alleen maar kan worden toegejuicht. Hoewel ook nu schijn weer kan bedriegen, heerst er een algemeen besef van werkelijke nationale betrokkenheid bij een belangrijke kwestie, namelijk de juiste rol van het land in de wereldverhoudingen.

Men kan er niet omheen in Tokio. De overwegingen van het Japanse parlement zijn op iedere taxi-radio te beluisteren, en in ieder orgaan van de massamedia; meningen zijn het onderwerp van ieder gesprek, met politici, academici, zakenlieden en huisvrouwen; voor het eerst in een generatie zijn studenten de straat opgegaan om te demonstreren.

De zaak waar het allemaal om draait is het wetsvoorstel van de regering om mee te doen aan de operaties van vredeshandhaving van de VN, dat Japan in staat zou stellen meer dan alleen geld bij te dragen aan de internationale inspanningen in de Golf. Het ziet ernaar uit dat de regering ditmaal zal verliezen, maar als dat gebeurt zal het op goede en rechtvaardige gronden berusten. En als gevolg van die ervaring zal er misschien een nieuw besef ontluiken over de rol die Japan zou moeten spelen in de wereld.

De grenzen die in het debat worden gesteld zijn een rekbaar begrip. Het gaat erom of het de Japanse strijdkrachten, hoe terughoudend of onbewapend ook, moet worden toegestaan om buiten de landgrenzen op te treden, ook al is het onder de vlag van de Verenigde Naties.

De meerderheid van de bevolking zoals opiniepeilingen hebben uitgewezen en nog eens bevestigd in persoonlijke gesprekken meent dat dit verkeerd zou zijn. Een aantal argumenten is zuiver praktisch van aard, en betreft de geschiktheid van de Japanse troepen voor vredeshandhavende operaties, en het feit dat in de Golf niet de Verenigde Naties maar de Verenigde Staten de leiding hebben. Andere argumenten zijn van principiele aard, zoals het gevaar van het laten vieren van de strakke (politieke) teugels die de Japanse strijdkrachten sinds de Tweede Wereldoorlog een louter defensieve rol hebben opgelegd.

Deze laatste overweging lijkt wellicht vreemd, want het Japanse leger is, ondanks zijn ruime begroting, nauwelijks bedreigend. Niemand heeft onder officieren een 'jonge Turken'-beweging kunnen aanwijzen, en de verhalen van duistere samenzweringen tussen militairen en rechtse elementen in de politiek en het bedrijfsleven houden geen stand. Een betere en meer bemoedigende verklaring van dit diep gewortelde nationale gevoel is dat het aangeeft hoe diep de constitutionele verwerping van het militarisme zich in Japan heeft vastgehecht. Een jonge vrouwelijke beurshandelaar verwoordde het als geen ander: 'Mijn generatie is niet opgevoed om te vechten en ik weet niet waar we voor zouden willen vechten'.

Maar tegelijkertijd is er een groeiend besef dat het misschien niet genoeg is als Japan slechts als 's werelds bankier optreedt. Een uitstekend artikel vorige week in het dagblad Asahi Shimbun, meestal een doorn in het vlees van de regering, belichtte zowel de verschillen als de overeenkomsten tussen de hoofdpersonen in de discussie.

Er werd zowel gepleit voor het zenden van troepen, geld en goederen overzee als voor het aangaan van een vredesregeling die op verschillende situaties in de wereld van toepassing kan zijn, evenals voor het kweken van begrip bij de Aziatische buurlanden voor de positie van Japan.

De Golf mag ver weg zijn en de internationale situatie vaag worden begrepen, zoals ook de eventuele humanitaire Japanse bijdrage op onbegrip stuit, Cambodja, waar een grote VN-operatie wordt voorbereid, is dichtbij en het zou voor Japan vreemd zijn als het daarbij niet werd betrokken.

Maar Japan ventileert zijn overwegingen niet in afzondering. De visie van de buitenwereld, vooral die in de Verenigde Staten, komt hierop neer dat de discussie slechts een rookgordijn is, waarachter Japan zijn internationale verantwoordelijkheden blijft ontduiken. De volksvertegenwoordiger Lee Hamilton, de Democratische Congresafgevaardigde uit Indiana, die persoonlijk niet deze mening deelt, stelt zich op het standpunt dat de essentie (in het Congres) is hoeveel troepen Japan levert, niet hoeveel geld. Een wat beschaafdere visie werd afgelopen week gegeven in het hoofdartikel van The New York Times, dat in Tokio met argusogen werd gelezen. Zich richtend tot Duitsland en Japan bracht de krant ter sprake dat '... het moeilijk was zich toekomstige gezamenlijke veiligheids- en vredesoperaties voor te stellen zonder hen... ' en dat wezenlijke collectieve veiligheid moet betekenen dat zowel Tokio als Bonn bereid zijn te vechten en te financieren. De krant pleitte ervoor dat '... mogelijk de minst moeilijke benadering... ' een wijziging van de Grondwet zou zijn die het mogelijk maakt Japanse troepen alleen in het geval van gezamenlijke operaties in het buitenland te stationeren. Gezaghebbende Amerikaanse diplomaten in Tokio, die veiligheidshalve zeggen dat 'Japan moet vaststellen hoe het een bijdrage kan leveren aan deze inspanning', waarschuwen toch voor negatieve reacties als het niets doet.

In Japan worden de stromingen in de Liberale Democratische Partij door twee mannen, beiden van een andere generatie, weergegeven. Aan de ene kant staat Masaharu Gotoda, een ex-minister en de 'politieagent' die persoonlijk de toenmalige premier Yasuhiro Nakasone afhield van het sturen van mijnenvegers naar het Golfgebied in 1987. Voor Gotoda, geen vurig liberaal of vredesduif, wegen die herinneringen zwaar.

Aan de andere kant staat Ichiro Ozawa, partijsecretaris, 48 jaar oud, een premier in de dop, tenzij hij de zaken verknoeit. Zijn pragmatische kijk op de wereld en op de noodzaak voor Japan om dicht bij de Verenigde Staten te blijven, lijkt niet door de last van de geschiedenis te worden gehinderd.

De Amerikanen zijn op Ozawa gesteld, zij vinden hem hulpvaardig en een 'probleemoplosser', maar zij willen hem niet bestempelen als 'onze' man. Hoewel hij een nieuwe lichting politici vertegenwoordigt, is hij niet revolutionair, en bovendien, is de Japanse politiek niet rijp voor revolutie.

Tussen haakjes moet worden gezegd dat de tegenwoordige premier Toshiki Kaifu allesbehalve onbelangrijk is, omdat hij zo moedig de positie van de regering verdedigt in het parlement. Hij wordt steeds meer gezien als een zwakke leider, die slechts wordt geduld totdat de machthebbers hebben beslist over zijn vertrek en over de manier waarop. Bijna dezelfde verachting geldt het ministerie van buitenlandse Zaken, op grond van de slechte verdediging van de vredeswet. Op zondag zijn er in het kiesdistrict van Kaifu verkiezingen voor een parlementszetel. Het zal de eerste gelegenheid zijn voor een openbare opiniepeiling onder de kiezers over het debat. Verlies voor de LDP zou het lot van het wetsvoorstel in de huidige vorm kunnen bezegelen; het is maar de vraag of een overwinning een andere uitkomst zou geven.

De beste uitkomst zou inderdaad de verwerping van het voorstel zijn. Dit zou de reputatie van Japan geen onherstelbare schade berokkenen, zeker niet als het gevolgd wordt door een liefst minder overijlde betrokkenheid bij de vuurproef die de Golfcrisis is.

Voor een keer wordt het volk van Japan toegestaan om enige verstandige dingen te zeggen. Zij, die hen regeren, zouden moeten luisteren. Maar Leonard Cohen zou gelijk kunnen hebben.

The Financial Times

    • Jurek Martin