HUMORISTISCHE QUASI-DOCUMENTAIRE VAN MARTIN SCORCESE; Allegangsters willen maar een ding

Toen Martin Scorsese in 1973 voor het eerst van zich liet horen door zijn impressionistische, bijna neo-realistische Mean Streets, werd die film over de twee kruimelboefjes Robert De Niro en Harvey Keitel in een Newyorks mafia-milieu bewonderd om de authentieke en autobiografische sfeer, de tastbare lichamelijkheid van acteurs, figuranten en decors. Maar het was ook een film met een zo losse structuur, dat het verhaaltje moeilijk te volgen viel. Scorsese zou later zijn grootste faam verwerven met even fysieke, maar strak gestructureerde tragedies: Taxi Driver, Raging Bull, The Last Temptation of Christ, alle naar een scenario van Paul Schrader. Scorseses oeuvre valt in te delen in de Schrader-films en de niet-Schrader-films. De streng gereformeerd opgevoede telg uit een Hollands-calvinistisch milieu verleende Scorseses films religieuze thema's als transcendentie, zondebesef en verlossing. Zonder Schrader maakte Scorsese lossere, in zekere zin amorele films als New York, New York, After Hours en The King of Comedy, die dichter staan bij de open onbevangenheid van Mean Streets. Elf films later keerde Scorsese terug naar het milieu van zijn jeugd in GoodFellas, een portret van de mafia tussen 1955 en 1985. Maar ook in stilistisch opzicht is Scorsese, op een oneindig veel hoger ambachtelijk en budgettair niveau, weer helemaal thuis.

Hoe kan een film die begint met een grimmig gefilmde moord door drie mannen op een zwaar gewonde in de kofferbak toch de toon van een komedie ademen? En waarom doen de ingewikkelde camerabewegingen en zorgvuldig geconstrueerde lange beeldinstellingen ('plans sequences') geen afbreuk aan de indruk dat GoodFellas wel een documentaire lijkt? In eerste instantie is het even wennen aan de rommeligheid van GoodFellas. Personages worden nauwelijks geintroduceerd, belangrijke gebeurtenissen komen slechts elliptisch aan de orde, voorname nevenpersonages verdwijnen soms geruisloos uit de film. De popmuziek op de geluidsband lijkt te passen in de gemakzuchtige mode van Hollywood om de handeling in een bepaalde tijd te situeren en nog wat te kunnen verdienen aan de verkoop van de 'soundtrack'. Maar naar mate je er langer over nadenkt, verdwijnt die indruk van toevalligheid, wordt de muziekkeuze steeds zinniger en verdient de quasi-documentaire constructie bewondering als een slimme, tegendraadse vorm van manipulatie.

Mean Streets was nog een uitloper van de jaren zestig, toen debuterende filmers met hun camera de werkelijkheid op straat wilden betrappen. In GoodFellas bedient Scorsese zich zeer bewust van technieken en stijlmiddelen uit de 'nouvelle vague', die sindsdien versleten cliche's werden. Met het veelvuldig gebruik van 'freeze frames' heb ik enige moeite, maar de 'plan sequence' en de 'jump cut' blijken opnieuw zeer effectief in het suggereren van spontaniteit en vaart. Scorsese past 'de subjectieve camera' toe in een lange take, waarin 23 personages (de meeste komen in de rest van de film niet meer voor) de door een bar dwalende camera elk op hun eigen manier begroeten.

Een andere 'plan sequence' vat een hoofdthema van GoodFellas, namelijk de boven alles uitgaande wens van gangsters om gerespecteerd te worden, visueel treffend samen. De hoofdpersoon, Henry Hill (Ray Liotta), neemt zijn toekomstige vrouw Karen (Lorraine Braco, de echtgenote van Harvey Keitel), voor het eerst mee naar de Copacabana. Er staat een lange rij voor de ingang van de club, maar sinds hij ooit als kind te lang bij een bakker heeft moeten wachten, is hij vastbesloten zich nooit meer te laten vernederen. Dus volgt de camera van de geniale Michael Ballhaus het stel minutenlang door een achterdeur, allerlei gangetjes, de keuken naar het restaurant, waar de gerant de snel aan invloed winnende gangster met alle verschuldigde egards begroet. Er wordt in de vingers geknipt en een tafeltje wordt boven de hoofden van de andere bezoekers door een ober voor de gasten uitgedragen naar een plaats helemaal vooraan bij het toneel, gedekt en van een schemerlamp voorzien. Die geruisloos naar de beste plaats gedirigeerde tafel komt nog een keer later in de film terug, als het symbool bij uitstek van ongebreidelde macht.

Mafiosi noemen zichzelf geen gangsters of mobsters, maar 'insiders', 'wise guys' of 'good fellas'. De journalist Nicholas Pileggi schreef de bestseller Wise Guy na lange gesprekken met de echte Henry Hill, een half Ierse employe uit het middenechelon van de mafia, die ondanks zijn positie van relatieve buitenstaander wel de organisatie van haver tot gort kende. In het nauw gebracht door een arrestatie wegens handel in cocaine, in de jaren zeventig en tachtig de aanleiding tot de ondergang van de traditionele georganiseerde misdaad, besloot Hill zich aan te melden voor het FBI-programma tot bescherming van cooperatieve getuigen en volledig door te slaan. Samen met Pileggi bewerkte Scorsese zijn relaas tot een film van twee en een half uur, die vooral aannemelijk maakt hoe prettig het dertig jaar geleden geweest moet zijn om tot de 'goodfellas' te behoren. De wereld lag aan hun voeten, elke politieman, rechter en politicus was omkoopbaar en wie de erecode van absoluut stilzwijgen schond, leefde niet lang meer. Francis Ford Coppola maakte ons in The Godfather vertrouwd met de mythische en historische achtergrond van de Italiaanse misdaadfamilies en verschafte de mafia een aureool, waarvan nog wel eens beweerd wordt dat de mob er redelijk tevreden over was. Scorsese heeft meer oog voor de psychologie van kleine mannetjes met grootheidswaan, voor de psychopathische persoonlijkheid van een zijn hand overspelende kleine krabbelaar (schitterend vertolkt door Joe Pesci), voor de collectieve schoonheidsbehandeling van kwetterende vrouwen met een slechte huid. Hij schildert met verve de alledaagse beslommeringen van elkaar zelden uit het oog verliezende kleine ondernemers, die hun bazen steeds vaker bedriegen en daarmee hun eigen graf graven. De karikaturen uit Jonathan Demmes komedie Married to the Mob, waarin elk bankstel met plastic overtrokken was, liggen op de loer, maar de humor van GoodFellas is minder opgelegd, de absurditeit vloeit op een meer natuurlijke wijze voort uit herkenbare menselijke tekortkomingen.

De hoofdpersonen zijn trouwens niet eens allemaal volbloed-Italianen; Robert De Niro, die opvallend weinig armslag krijgt in zijn bijrol, is zelfs een Ier, die weet dat hij louter om die reden nooit de beschermde positie van een 'ingelijfd' mafia-lid kan verwerven.

Had Paul Schrader deze Scorsese-film geschreven, dan zou de morele katharsis ongetwijfeld een gewelddadig karakter gedragen hebben. De straf die Liotta als Henry Hill ondergaat is subtieler en wreder; tijdens de rechtszaak zien we hem zijn voormalige kameraden een voor een aanwijzen en hij komt te wonen in een prefab-woning ver buiten de stad, 'waar je zelfs geen fatsoenlijk eten kunt krijgen'. De inhaligheid en directe behoeftenbevrediging, die de mafiosi ooit tot anarchistische buitenstaanders met een sterke onderlinge band maakte, is nu de algemene maatschappelijke norm geworden. Als Henry Hill nu met zijn auto een file over de vluchtstrook zou passeren, dwingt hij daar geen respect meer mee af.