Hoorn en hobo roepen eenzaam in de stilte

Magnifiek als weinig andere is het concertprogramma waarmee een ensemble onder leiding van Marien van Staalen een tournee door ons land maakt. Voor de pauze gaat de Sinfonia per dieci strumenti ('Sinfonia voor tien instrumenten') uit 1976 van Rudolf Escher, daarna Das Lied von der Erde van Mahler in een instrumentatie voor veertien musici, in 1921 begonnen door Arnold Schonberg en in 1983 voltooid door Rainer Riehn.

Het bijzondere van dit programma ligt niet alleen in de uitvoering van een groot opgezet Mahlerwerk door een klein ensemble, maar ook in de manier waarop deze stukken van Escher en Mahler elkaar deels overlappen. Het langzame derde deel van zijn Sinfonia omschreef Escher als 'een melodisch dwalen in afgelegen, zeer afgelegen gebieden van muzikale stilte'. Men kan dat ook lezen als een beschrijving van het laatste deel (Der Abschied) van Das lied von der Erde.

De huiveringwekkende eenzaamheid die bij Escher opklinkt in onbeantwoord roepen van hoorn, fagot en hobo is dezelfde als bij Mahler, soms zelfs gerealiseerd met directe verwijzingen naar het instrumentale tussendeel van Der Abschied. En de lange hartstochtelijke fluitsolo, prachtig geemotioneerd gespeeld door Marieke Schneemann, kan men beluisteren als een verwerking van de hartverscheurende teksten in Das Lied von der Erde.

De grootste verrassing van de reductie van de partituur tot achttien instrumenten (met strijkers, blazers, harp, piano, harmonium, celesta en slagwerk) is wel dat die zo weinig verschil maakt met een uitvoering door een compleet symfonieorkest. Mahlers eigen versie is dan ook eigenlijk puur kamermuzikaal van aard en de tutti-passages zijn slechts incidenten.

Natuurlijk mist men in deze bewerking ten opzichte van het origineel wat vulling in de strijkers, maar daartegenover staat een indringender werking van die ijle klanken. En een grote winst is dat nu eindelijk in het eerste lied de tenor niet langer wordt overspeeld door het orkest en de tekst echt hoorbare betekenis krijgt. Howard Crook zingt hier goed en Margareth Beunders komt, voortreffelijk begeleid, tot een vertolking zoals die moet zijn: indrukwekkend en aangrijpend.