Haken en ogen aan alternatieven tropisch hardhout; 'Nog tienjaar nodig om te bewijzen dat vuren en grenen net zo duurzaam zijn'

ROTTERDAM, 1 nov. Wereldwijd verdwijnt tussen de twee keerkringen jaarlijks ongeveer 20 miljoen hectare tropisch bos: ongeveer vijf keer de oppervlakte van Nederland. Deze week tracht de ontwikkelingsorganisatie Novib met de campagne 'Kappen met kappen' fondsen te werven voor inwoners van Maleisie en Brazilie, die in hun land tegen de ontbossing strijden.

Alarmerend is de snelheid van de ontbossing, vooral in Zuidoost-Azie. Naar schatting geschiedt een kwart hiervan (5 miljoen hectare) door kap die vooral is bestemd voor export naar Westerse landen. Tropisch hardhout wordt veel gebruikt voor bouwmateriaal zoals kozijnen. Niet voor niets: het hout is erg duurzaam en vergt weinig onderhoud. Bij 72 procent van alle nieuwe woningen wordt voor hardhouten kozijnen gekozen. Zorg voor het regenwoud heeft Nederlandse gemeenten als Dordrecht, Den Haag en Utrecht ertoe gebracht hardhout te verbieden.

Opvallend genoeg wordt bij woningrenovatie vooral PVC gebruikt, terwijl in de utiliteitsbouw (kantoren, scholen, fabrieken) juist aluminium weer favoriet is. De vraag is wat voor 'het milieu' de beste keuze is. Hoe milieuvriendelijk zijn welbeschouwd zacht hout of het klassieke staal?

Milieuorganisaties, verenigd in het Landelijk Milieu Overleg (LMO), bevelen voor kozijnen het Noordeuropese, zachte naaldhout aan, waarvan het transport relatief weinig kost. De goede soorten vuren en grenen zijn volgens het LMO even duurzaam als de hardhout-soort meranti. De kwaliteit van meranti is in de loop van de tijd achteruitgegaan omdat de exporterende landen het hout niet meer voldoende laten drogen. Het naaldhout komt uit produktiebossen die in omvang eerder toe- dan afnemen omdat herbebossing hier hoog op de agenda staat.

Het grootste bezwaar van vuren en grenen is dat deze houtsoorten gevoelig zijn voor bacterien en schimmels en daarom tegen verrotting moeten worden beschermd. Daartoe werd het hout vroeger geimpregneerd met milieu-onvriendelijke stoffen als tributyltinoxide of pentachloorfenol. Dat is nu niet meer nodig. Er zijn capsules in de handel waarmee het hout plaatselijk is te bewerken. De 'houtpil' beschermt alleen de kwetsbaarste plekken, zoals de sponningen, en is een aanzienlijke besparing op conserveermiddelen. De capsule wordt in het hout gebracht, breekt, waarna de vloeistof zich over een beperkt gebied verspreidt. In Nederland wordt al een houtpil met bifluoride verkocht. Een minder schadelijke variant, de borax-pil, is binnenkort verkrijgbaar.

Ook het ontwerp van gevel en de kozijnen zelf is van invloed op de duurzaamheid. Diepliggende kozijnen, nu nog zeldzaam in Nederland, overstekende dakranden, verbeterde verbindingen met het glas en richels voor de vochtafvoer beperken de behoefte aan conserveermiddelen.

Volgens het LMO is het vuren of grenen kozijn als tenminste regelmatig onderhoud wordt gepleegd even duurzaam als de kunststof- en aluminium-versie. Ir. G. W. J. Oldeman, hoofd van het Houtinstituut bij TNO in Delft, en ir. H. Eleveld van het Bouwcentrum in Rotterdam zijn daar nog niet zeker van: 'Het bewijs kan pas over een jaar of tien worden gegeven.'

Voor de afwerking van het zachte hout, waarvoor nu nog meestal de conventionele alkydhars-verven worden gebruikt, zijn inmiddels milieuvriendelijker alternatieven beschikbaar. De met water te verdunnen acrylaatverven bevatten veel minder organische oplosmiddelen (terpentine en dergelijke) dan de alkydhars-verven. De milieubeweging heeft een voorkeur voor 'natuurlijke' verven op basis van hars en lijnolie, al drogen die traag en zijn ze vooralsnog duur. Oldeman (TNO) vindt deze nieuwe verven een stap in de goede richting, maar meent wel dat er 'nog heel wat aan moet worden gesleuteld'.

Het LMO heeft bezwaar tegen de acrylaatverven, die 'door het predikaat groen de consument misleiden', omdat deze weliswaar geen terpentine maar toch 'een behoorlijke hoeveelheid chemische hulpstoffen bevatten'.

Aluminium heeft geen onderhoud nodig. De utiliteitsbouw gebruikt in ongeveer 80 procent van zijn kozijnen aluminium ('Bouw', mei 1990). De winning van aluminium in dagbouw gaat gepaard met aantasting van het landschap en voor de produktie ervan is vier tot zes keer zo veel energie nodig als voor de fabricage van staal. Dit wordt wel gedeeltelijk gecompenseerd door het lage soortelijk gewicht van aluminium. En ir. J. G. D. van der Ros, onderdirecteur bij Hoogovens Aluminium, relativeert het energieverbruik nog anders: 'Aluminium smelten is een elektrisch proces. Mondiaal wordt zestig procent van de energie voor de produktie opgewekt met waterkracht, dus schone energie.' Van der Ros verwacht dat dit aandeel zal toenemen.

De aluminiumsmelters in Nederland hebben niet de beschikking over waterkracht. De produktie-installatie van Pechiney in Vlissingen gebruikt elektriciteit van de kerncentrale in Borssele en Aluminium Delfzijl (Hoogovens) produceert de elektriciteit met (aard)gasturbines.

Van der Ros ziet de kritiek wel als 'bron van zorg' maar vindt voldoende argumenten voor het gebruik van aluminium. 'Nu wordt al wereldwijd 70 procent van het aluminium hersmolten. Het materiaal is vele malen te hergebruiken en het omsmelten gebruikt maar vijf procent van de energie die nodig is voor de winning uit erts.'

Dat het klassieke staal het aluminium als kozijnmateriaal zou vervangen is onwaarschijnlijk. Staal wordt ouderwets gevonden, vormt roest en heeft, net als aluminium, het bezwaar van de koudegeleiding en condensvorming.

En PVC? Ruim de helft van de kozijnen die in gerenoveerde woningen worden aangebracht bestaan uit PVC, een kunststof die, evenals aluminium, weinig onderhoud vergt, tientallen jaren meegaat en bij produktie weinig energie verbruikt. De fabricage van kunststoffen als PVC kost nog niet de helft van de energie van de produktie van staal. Toch wijzen milieuorganisaties het gebruik van PVC resoluut af. PVC bevat chloor en het transport van chloor heeft grote risico's. Ook de produktie van PVC is een gevaarlijk proces, want het vinylchloride-monomeer waaruit de stof is opgebouwd geldt als carcinogeen. Ten slotte draagt de verbranding van PVC in afvalovens bij aan vorming van dioxinen. Alternatieven voor PVC blijven de komende jaren nog te duur.

Volgens een EG-richtlijn mag bij PVC-fabricage de lucht op de werkplek gemiddeld niet meer dan 3 ppm (delen per miljoen) vinylchloride-monomeer bevatten. 'Bij onze machines wordt 0,09 ppm gemeten', reageert A. Paulen van kunststofverwerker Wavin in Zwolle. Het dioxine-probleem speelt eerder in de verpakkingsindustrie; PVC is als bouwmateriaal goed te herkennen en kan vijf tot acht keer eenvoudig tot nieuwe kunststof worden gerecycled. De Nederlandse kunststofproducenten zullen zich mogelijk verplichten alle in de bouw gebruikte kunststof terug te nemen. Er is nog geen afvalprobleem omdat de eerste 'opgebruikte' kozijnen pas terugkeren, aldus Paulen.

Iets als een milieu-keur zal nog wel op zich laten wachten. 'Hoe weeg je de luchtverontreiniging van het ene produkt tegen het energieverbruik van het andere', vraagt Eleveld van het Bouwcentrum in Rotterdam zich af. Het is nu nog onmogelijk ieder materiaal een milieu-keurmerk te geven, zeker omdat voor de industrie de economische argumenten meespelen.

Wat betreft kozijnen, dreigt dit een academische kwestie te worden. Misschien zijn kozijnen in de toekomst overbodig. Ir. F. de Haas van het onderzoeksbureau Woon/Energie uit Gouda, dat zich richt op milieuvriendelijk bouwen: 'De vorm van het huidige kozijn is gebaseerd op het vurenhouten kozijn van vijftig jaar geleden. De massieve omranding van toen is nu niet meer nodig.' Hardglas, in een rubberprofiel gezet, is al voldoende stevig net als bij bovenraampjes. Hang- en sluitwerk kan dan op het raam zelf worden gemonteerd.