Europees isolationisme ondoordacht

Het Fort Europa versterkt zijn muren. Onder Italiaans voorzitterschap werd dit weekeinde in Rome de Europese prioriteit aan de man gebracht. Het eigen gewin gaat voor verantwoordelijkheid voor de wereld als geheel. De Europese binnenmarkt moet worden opgetuigd met monetaire elementen als een centrale bank en een munt. Europa ziet zichzelf in afwachting daarvan al als sterk genoeg om de betrekkingen met de buitenwacht op hun beloop te laten. Een andere gevolgtrekking is na het overleg in de Europese raad van staatshoofd en regeringsleiders onmogelijk.

Het kernstuk heet 'gemeenschappelijke agrarische politiek' (CAP). In de Italiaanse hoofdstad werd het gemakshalve aan het zicht onttrokken. De CAP is een in 1962 opgezet systeem dat door middel van prijsgaranties en subsidies de Europese boer van voldoende inkomen moet voorzien. In de praktijk heeft zij geleid tot een toestand die de wereldhandel in agrarische produkten ernstig heeft verstoord. De Europese belastingbetaler en consument krijgt daardoor jaarlijks een te hoge rekening gepresenteerd.

De concurrentie is ten slotte onder aanvoering van de Amerikanen in het geweer gekomen. De wereldhandel zal niet verder worden verruimd als Europa niet een einde maakt aan zijn agrarisch protectionisme. De zogenoemde Uruguay-ronde, gericht op afbraak van handelsbeperkingen, staat op springen.

Van buitenaf gezien voltrekt zich in Europa een merkwaardig schouwspel. De Europese Commissie liet zich schijnbaar iets gelegen liggen aan de kritiek en stelde een verlaging van de landbouwsubsidies met dertig procent voor. Het merendeel van de lidstaten van de Gemeenschap reageerde daarop alsof het einde nabij was, hoewel die dertig procent al voor een deel was gerealiseerd en vooral werd genoemd om naar buiten indruk te maken. Het spektakel beheerste de agenda's van opeenvolgende Raden van Ministers (van landbouw, van handel, van buitenlandse zaken en van combinaties daarvan). Op een gegeven ogenblik stelde de Commissie voor de gevolgen van de verminderde subsidie nationaal te compenseren en zo de protectie enigszins aan het oog te onttrekken.

Toen zaterdagmorgen vroeg op deze wankele basis een compromis binnen bereik kwam, uitte de Franse minister van landbouw, Louis Mermaz, toch nog bedenkingen. Zijn Duitse ambtgenoot Ignaz Kiechle verklaarde Frankrijk niet te willen isoleren. De Italiaanse voorzitter bracht het voorstel daarop niet in stemming. Er werd nauwelijks getreurd. In het Europa van de Twaalf is men er helaas al aan gewend geraakt dat de in het verdrag wortelende communautaire Raad van Ministers het laat afweten zodra het echt spannend wordt. Men draagt dan liever de zaken over aan de bijeenkomst van staatshoofd en regeringsleiders die aan niemand verantwoording schuldig is. Hun 'Europese Raad' moest het weer opknappen.

De Britse premier zag haar kans schoon om zich Europeser voor te doen dan zij in werkelijkheid is. Diezelfde zaterdag, aan het begin van de top in Rome, probeerde zij het landbouwdebacle aan de orde te stellen. Tevergeefs. De Italiaan Andreotti hamerde haar af. Zondagmorgen weigerden Mitterrand en Kohl niet alleen een gesprek, maar weerhielden de voorzitter ervan nog deze week een nieuwe landbouwraad bijeen te roepen. Boze stemmen van Britse en Nederlandse zijde werd met de macht van het getal het zwijgen opgelegd. Cynischer kon niet worden onderstreept dat de Europese Gemeenschap zich als het erop aankomt niets gelegen laat liggen aan de wereld om haar heen.

De vraag dringt zich op: maar er zijn toch binnen de Gemeenschap belangengroepen te vinden die zich tegen deze gang van zaken verzetten? Er zijn de consumenten en de belastingbetalers die de vicieuze agrarische cirkel financieren, er zijn de lobby's van ontwikkelingswerkers die al jarenlang weten dat de arme landen meer gebaat zijn bij verruimde afzet dan bij nieuwe schuldposities, er is de warme belangstelling voor de problemen in Oost-Europa en er zijn de bedrijven in de industriele en de dienstverlenende sectoren die geacht mogen worden voordeel te trekken uit groei van de wereldhandel. Als de boeren al een electorale factor vormen, dan toch zeker niet de enige? Was het nieuwe Europese elan (gericht op de totstandkoming van een Europese markt in 1992) niet ontstaan aan de Ronde Tafel van vooraanstaande Europese industrielen?

Het hoeft geen betoog dat consumenten en belastingbetalers niet in Europese zin zijn georganiseerd. Hun stem wordt niet gehoord. Hetzelfde geldt kennelijk voor de ontwikkelingswerkers. Bovendien, het Europese volk heeft geleerd de eigen agrarische overproduktie te zien als van pas komend bij de bestrijding van hongersnoden en niet als een obstakel voor gezonde produktie en afzet, onder meer in de gebieden waar die hongersnoden zich voordoen. Maar waar is dan de druk op 'de' politiek van die bedrijfstakken die profijt zouden trekken uit een toenemende handel in de wereld?

De gedachte dringt zich op dat het mechanisme van de Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel (GATT) waarvan de Uruguay-ronde een uitvloeisel is voor Europa geen hoge prioriteit heeft. Altijd al werd dit mechanisme vooral op gang gehouden door de Verenigde Staten onder bijval van de Derde wereld die toegang wenste tot de rijke markten en van Australie en Nieuw-Zeeland sinds beide landen meer en meer door Europa werden buitengesloten. De Kennedy-ronde, de Nixon-ronde, de Tokio-ronde onderscheidden zich wat dat betreft niet van de Uruguay-ronde.

Vanuit Europa gezien is de wereldmarkt er niet interessanter op geworden en dat niet alleen omdat in Europa zelf de mogelijkheden voor het grijpen liggen. Een groot deel van de potentiele afnemers zit diep in de schulden. De succesvolle Oostaziaten hebben betere kansen in Europa dan omgekeerd, Japan blijft een geval apart, de andere hebben nauwelijks een markt te bieden. Het kortgeleden nog veelbelovende China is een nachtmerrie gebleken. Het Midden-Oosten is te grillig voor stabiele relaties. In de Sovjet-Unie is de chaos uitgebroken. Bovendien, daar waar economische betrekkingen interessant zijn, kunnen handelsbarrieres met behulp van overnames betrekkelijk gemakkelijkelijk worden vermeden, zoals zeker in de VS zelf het geval is.

Kan het Europa kwalijk worden genomen als het zich onder dergelijke omstandigheden in zichzelf opsluit? In ieder geval zou dat van kortzichtigheid getuigen. Op langere termijn kan de wereld slechts vooruitgang boeken in een stelsel van krachtige en gezonde betrekkingen tussen alle samenstellende delen. De GATT is, evenals het wereldwijde monetaire en financieringsstelsel waarvoor in 1944 in Bretton Woods de grondslagen werden gelegd, uit deze stelling ontstaan. Laten we er daarom van uitgaan dat de nonchalance zoals in Rome door een meerderheid van de Gemeenschap getoond het gevolg was van een kortstondige verstandsverbijstering.