Een brandende chandor

'Waar ellende is, ontstaat kunst', zei Sovjet-regisseur Aleksej Germandeze week nog op de VPRO-televisie. Sterker nog: tijdens het bewind van Brezjnev en Franco werden er in Rusland en Spanje interessanter filmsgemaakt dan na hun dood. Het succes van enkele Iraanse films opinternationale festivals maakt nieuwsgierig naar het toetsen van dehypothese aan de huidige filmproduktie aldaar. Het Amsterdamse filmtheater Desmet haalde zes recente Iraanse films naar Nederland en vertoont ze in een programma naast de twee voor distributie aangekochte films (The Runner/Dawandeh en Ab, bad, khak/ Water, Wind, Dust van de inmiddels naar de Verenigde Staten uitgeweken regisseur Amir Naderi).

Een eerste kennismaking bevestigt voorzichtig het vermoeden dat het talent van de Darius Mehrjui, van wie in de jaren zeventig hier de voortreffelijke films De koe/ Gav en De cyclus/ Dayereh mina te zien waren, niet alleen staat. Na de islamitische revolutie van 1979 kwam de produktie aanvankelijk volledig tot stilstand. Tijdens de oorlog met Irak ontstond een grote honger naar film onder het Iraanse publiek, dat zich voedde met illegaal verspreide videocassettes. Om de zaak beter onder controle te kunnen houden, stond de overheid de instelling van de Farabi Filmstichting toe. Er werden ook enkele studio's opgericht, die zich alle aan strenge censuurnormen moeten houden. Elke aanraking tussen man en vrouw is streng verboden en vrouwen mogen slechts in gezinsverband uitgebeeld worden. In een land, waar meer dan de helft van de bevolking uit personen van beneden de twintig bestaat, ligt het voor de hand kinderen dan maar de hoofdrol te laten spelen. Het Instituut voor de Intellectuele Ontwikkeling van Kinderen en Jonge Volwassenen ontpopt zich tot de belangrijkste filmstudio, al zouden volgens sommige berichten de meeste van die films slechts op binnen- en buitenlandse festivals te zien zijn.

De belangrijkste filmers van dit moment waren ook voor 1979 al actief: Bahram Beizai, Abbas Kiarostami, tot voor kort Amir Naderi en de nu minder in het oog springende Darius Mehrjui. Kiarostami won deze week in Montreal de hoofdprijs van het festival van de nieuwe cinema voor Close-Up/ Nama-ye nazdik, een semi-documentaire over de rechtszaak tegen een man die zich uitgaf voor de cineast Mohsen Makhmalbaf. Van deze in eigen land omstreden Makhmalbaf (debuut in 1982) vertoonde het Filmfestival Rotterdam al de aardige film The Cyclist/Bicycleran, waarin een Afghaanse vluchteling de medische behandeling van zijn vrouw bekostigt door een weddenschap aan te gaan tot het zeven dagen onafgebroken rondjes fietsen.

Het complete oeuvre van Kiarostami (geboren in 1940) staat op het verlanglijstje van Marco Muller voor het komende Rotterdamse festival. Het Iran-programma 'Een tip van de sluier' vertoont nu al behalve Close-Up (1990) ook Where Is My Friend's House?/ Khaneh-ye doust kojast? uit 1987. Het is een simpele, maar doeltreffende film over de poging van een jongetje om een klasgenoot zijn per ongeluk door hem meegenomen schrift te bezorgen, want de onderwijzer heeft duidelijk gemaakt dat er wat zwaait als het huiswerk niet gemaakt is. Op zoek naar een vaag adres, ontmoet de hoofdpersoon alleen maar volwassenen die hem koeioneren en totaal niet geinteresseerd zijn in wat kinderen te zeggen zouden kunnen hebben. In alle eenvoud blijkt het een boeiende, transparante film.

In de onafhankelijk geproduceerde film Nar-O-Nay van de onbekende Sa'ied Ebrahimifar vindt een fotograaf het dagboek van een stervende man. De verbeelding van dat dagboek in abstracte, aan het werk van Sergej Paradzjanov herinnerende allegorische beelden (Armenie en Georgie liggen niet ver van Teheran) is formeel interessant, maar de clichematige, dik aangezette anti-nucleaire symboliek in de raamvertelling (Iran heeft nog geen atoombom, sommige buurlanden bijna wel) maken het geheel tamelijk onverteerbaar.

Verreweg de beste film uit dit programma is Bashu, The Little Stranger/ Bashu, garibeh kouchak van Bahram Beizai uit 1989. De openingsbeelden verwijzen duidelijk naar de oorlog met Irak, zonder ook maar een moment in propaganda te vervallen: een brandende chandor, een man die door een luik de grond in zakt, een vuurzee, het zijn universele verbeeldingen. Een jonge vluchteling, Bashu, komt terecht in een gezin, waarvan de vader aan het front is. De moeder converseert met de kraaien en trotseert haar familieleden en dorpsgenoten, die de adoptie van de jongen, met een iets zwartere huid en een Arabisch dialect, niet accepteren uit bigotterie en behoudzucht. Aan het slot lopen de teruggekeerde vader, Bashu en de rest van het gezin in harmonie schreeuwend tegen vogels en ander ongedierte het veld in.

Bashu spreekt niet alleen aan door de humanistische boodschap en het in Iran ongebruikelijke heldendom van een individu tegenover de gemeenschap. Het is vooral een poetische film met ongebruikelijke visuele symbolen van een grensoverschrijdende schoonheid.