DEENS MUSEUM VOOR KUNSTNIJVERHEID VIERT HONDERDJARIG BESTAAN; Het nut van een goede voorbeeldcollectie

Achter het Amalienborgpaleis in Kopenhagen staat het oude Frederikhospitaal. In dit prachtige achttiende-eeuwse carrevormige gebouw worden de Deense schatten van kunstnijverheid en design bewaard. Wie dit Dansk Kunstindustrimuseum binnenloopt, kan uren dwalen tussen duizenden wonderbaarlijke objecten. Er staat het mooiste Chinese porselein, een grote collectie Japanse tsuba's (zwaard-plaatjes), een compleet Spaans beschilderd cassetteplafond uit 1500, koningin Caroline Mathilde's toiletgarnituur en een Deense bronzen stier met een klok op zijn rug, maar ook een stenen kan-met-zelfportret van Paul Gauguin, een wandtapijt van Maillol en meubelen van Mies van der Rohe.

De wijze van tentoonstellen, vol en 'nevenschikkend', doet in onze ogen wat vrijblijvend aan. In Nederland zijn we gewend aan exposities waar dominante ontwerpers de kunstnijverheidsobjecten een richting uit dwingen. In Denemarken worden ze meer in hun dubbele functie (kunst en nijverheid) gewaardeerd. Kortom, het Kunstindustrimuseum ademt nog steeds iets van de sfeer van de tijd waarin het is ontstaan en heeft daardoor bijna spelenderwijs toch een kunsthistorische rode draad. Het Dansk Kunstindustrimuseum werd in 1890 opgericht naar het voorbeeld van de andere grote kunstnijverheidsmusea in Europa Londen, Wenen, Parijs. Evenals het oudste daarvan, het Londense South Kensington Museum (het latere Victoria en Albertmuseum) kwam de Deense collectie tot stand in nauwe samenwerking met de industrie. Met name de Deense porseleinfabrieken zagen het nut in van een goede voorbeeldcollectie zodat hun ontwerpers nieuwe ideeen konden opdoen. De eerste directeuren van het museum, zelf ontwerpers (later werden het kunsthistorici) kochten daartoe oude maar ook eigentijdse kunstnijverheid.

Op de Wereldtentoonstelling van 1900 bijvoorbeeld haalden ze bewust de Art Nouveau naar Denemarken. In Kopenhagen heeft deze formule blijkbaar uitstekend gewerkt. Dat geldt niet alleen op het gebied van porselein en aardewerk waar de decoratieve motieven van bijvoorbeeld Meissen, Chelsea en Sevres de ontwerpers van 'Den Kongelige Porselaensfabrik' en 'Bing en Grondahl' zo te zien aardig aan het werk hebben gehouden. Daarnaast vind je er bijvoorbeeld ook het directe Chinese voorbeeld uit de zestiende eeuw voor de 'klassieke' Deense armstoel van Hans J. Wegner uit 1945. Een merkwaardige gewaarwording bij een rondgang is verderdat het gevoel voor dateringen en het idee over wat modern is je wel eens in de steek laten. Zo lijken sommige stukken negentiende-eeuws Deens zilver absurd vroeg voor de tijd waarin ze gemaakt werden en andersom lijken ontwerpen uit de jaren veertig van deze eeuw bijna classicistisch. Misschien is de opstelling dus toch niet zo heel vrijblijvend. Het museumviert zijn honderdjarig bestaan met een grote, internationale tentoonstelling over de bloem als motief in de kunst en kunstnijverheid in gewijzigde vorm is deze vanaf half november ook in het Noordbrabants Museum in Den Bosch te zien.