Benzinecrisis Hongarije: onmacht en onvermogen

ROTTERDAM, 1 nov. De 'benzinecrisis' in Hongarije heeft duidelijk aangetoond hoe smal de marges voor de nieuwe, democratisch gekozen machthebbers in Oost-Europa zijn. De eerste grote crisis van het bewind van premier Jozsef Antall toont veel onmacht en veel onvermogen onmacht omdat Antall en de zijnen enerzijds het slachtoffer zijn van beslissingen die elders zijn genomen, onvermogen omdat ze anderzijds niets hebben gedaan om de crisis te bezweren toen die zichtbaar werd en de schade nog kon worden beperkt.

De Hongaarse premier is met recht en reden heftig geschrokken van de crisis, zozeer zelfs dat hij, na zich maandenlang weinig gelegen te hebben laten liggen aan de oppositie, die oppositie nu een politiek bestand van twee jaar heeft gevraagd, een politiek staakt-het-vuren dat hem en zijn kabinet de gelegenheid moet geven Hongarije uit het moeras van de economische crisis te trekken. Fouten zijn toegegeven, er is deemoed getoond, vergeving gevraagd en beterschap beloofd.

De grootste blunder van de regering van premier Antall en zijn minister van binnenlandse zaken Balasz Horvath de man die Antall verving toen deze vorige week in het ziekenhuis moest worden opgenomen is het 'overvalkarakter' van de prijsverhogingen voor benzine en gas. Vorige week donderdag werd in een lakonieke bekendmaking van een ondergeschikte van het ministerie van industrie en handel gemeld dat de prijs van benzine en gas die deze zomer al duurder waren geworden met 65 tot 90 procent omhoog zou gaan. De gedaalde leveranties van Sovjet-olie en de Golfcrisis werden als oorzaken aangegeven.

Op vrijdag, toen de wegblokkades van boze taxi- en vrachtwagenchauffeurs het verkeer in de grote steden en aan de grenzen al hadden lamgelegd, verdedigde Horvath in een verklaring de prijsverhogingen, opnieuw met verwijzing naar de Sovjet-Unie en de Golfcrisis. De regering, aldus Horvath, had geen keus, want de brandstofreserves waren nog maar voor vier dagen voldoende, olie was internationaal wel erg duur geworden en 'iedereen' moest begrijpen dat het uitblijven van prijsaanpassingen tot 'een ramp' zou leiden.

Het mocht niet baten: de blokkades werden voortgezet, en de bevolking koos in het begin in grote meerderheid, de overlast ten spijt, partij voor de boze chauffeurs. Toen de politie tegen haar zin op de blokkades werd afgestuurd zag zij zich geplaatst tegenover een overmacht van boze burgers. Vijfentachtig procent van de Hongaren, zo bleek uit een snelle peiling van het blad Magyar Hirlap, steunde de chauffeurs.

De crisis is voor alles het resultaat geweest van gebrek aan politieke moed. Al maanden geleden wist de regering dat forse prijsverhogingen onvermijdelijk waren, vooral als gevolg van de nalatigheid van de Sovjet-leveranciers. De Sovjet-Unie had zich contractueel verplicht Hongarije dit jaar 6,48 miljoen ton olie te leveren, zestig procent van wat Hongarije nodig heeft. Al in juli begon ze de Hongaren (en niet alleen de Hongaren) minder te leveren dan wasafgesproken en toen al kreeg Boedapest te horen dat het maar op 5,9 miljoen ton zouden mogen rekenen. Intussen is ook die hoeveelheid alweer achterhaald: meer dan 5,1 miljoen ton krijgt Hongarije dit jaar niet en dat weet Boedapest al sinds september (gisteren kwam uit Moskou overigens de jobstijding dat in november niet zoals afgesproken 343.000 ton olie wordt geleverd, maar slechts 143.000 ton).

Toen na de Iraakse inval in Koeweit als gevolg van de internationale sancties tegen Saddam Hussein ook de afgesproken olieleveranties uit Irak kwamen te vervallen werd Hongarije gedwongen uit te wijken naar de internationale markt, waar de olie sinds augustus in snel tempo duurder is geworden. Werd voor de Sovjet-olie als gevolg van de oude prijsafspraken binnen de Comecon maar ruim tien dollar per vat betaald, op de internationale markt is de prijs de afgelopen maanden opgelopen tot meer dan dertig dollar. Elke ton niet geleverde Sovjet-olie kostte Hongarije sinds augustus gemiddeld 4400 forint (een dollar is 62 forint) uit de staatskas. De totale schade eind dit jaar: zeven miljard forint. Dat bedrag komt aardig in de buurt van het totale met veel pijn en moeite teruggebrachte begrotingstekort voor dit jaar.

Maandenlang heeft de regering niets gedaan met de wetenschap dat prijsverhogingen onvermijdelijk zouden zijn. Er werd druk gedebatteerd over een nationaal energieplan, er werd geklaagd over de gevolgen van de Golfcrisis voor Hongarije en er werd tevergeefs bij de Sovjet-Unie (voor olie) en het Westen (voor steun) aan de bel getrokken. Nog donderdag werd de Hongaarse consumenten verzekerd dat de prijzen van gas en benzine niet omhoog zouden gaan.

Geen wonder dat vanuit de bevolking, de oppositie en de media van een overval werd gesproken toen dat later die dag heel anders kwam te liggen, geen wonder ook dat algemeen werd geconcludeerd dat de regering zich door de omstandigheden op sleeptouw had laten nemen. Pas toen de reserves vrijwel waren uitgeput durfde zij de Hongaren met de al maanden onontkoombare onheilsboodschap te confronteren. De Magyar Nemzet concludeerde dat Antall c.s. hun economische legitimiteit al hebben verspeeld en nu bezig waren hun politieke legitimiteit te verliezen. Een harde boodschap in de jonge democratie.

De politieke gevolgen van de crisis zijn nog onduidelijk, maar dat het anders moet is zeker. De Hongaarse oppositie lijkt wel te porren voor het denkbeeld van een politiek bestand, zolang dat maar niet neerkomt op een blanco cheque. Maar er zijn ook andere opties. Zo heeft Janos Kis, de leider van de belangrijkste oppositiegroep, het Verbond van Vrije Democraten, geeist dat de regering wordt aangevuld met competente technocraten, om in het vervolg blunders van de politiek weinig ervaren en economisch weinig onderlegde ploeg van Antall te voorkomen. Fidesz en de socialisten (ex-communisten), de twee andere grote oppositiepartijen, bepleiten een 'grote coalitie' waarin alle politieke stromingen van Hongarije zijn vertegenwoordigd. Alleen zo'n regering kan een politiek staakt-het-vuren in stand houden.

Zo lijkt de benzinecrisis de eerste 'open' crisis sinds 1956 en de eerste hobbel overdwars op de weg naar de vrije-markteconomie iedereen in Hongarije een koude douche te hebben bezorgd. Hongarije is, zo zei oppositieleider Ivan Peto maandag, 'een ander land geworden'.

Nog maar enkele weken geleden schrokken alle politieke partijen in Hongarije van de extreem lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen, een tegenvaller die enerzijds werd geweten aan de boosheid van de kiezer over de voortdurende daling van zijn levensstandaard en anderzijds aan zijn frustratie over het gekibbel van de nieuwe politici.

De benzinecrisis drukt die politici nog eens met de neus op de feiten: als er al behoefte is aan woorden, dan liefst voordat het, zoals in de benzinezaak, bijna te laat is. Anders wordt er geprotesteerd, ook in de democratie.

    • Peter Michielsen