Belastinginspectie legt soms te hoge boetes op

DEN HAAG, 1 nov. De staatssecretaris van financien heeft de belastinginspecteurs jarenlang verkeerde instructies gegeven over de hoogte van de fiscale boetes die zij moeten opleggen. Tot deze conclusie is de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege voor belastingzaken, onlangs gekomen.

Eerder dit jaar kwam de Raad al met ernstige kritiek op de betreffende instructie. Nu heeft de Raad de consequenties hiervan verder uitgewerkt en onderdelen van de instructie feitelijk buiten werking gesteld.

De gewraakte instructie is in 1984 door de toenmalige staatssecretaris Koning aan de belastingdienst gegeven. Zij geeft de inspecteurs aanwijzingen voor het opleggen van de boetes aan degenen die verwijtbare fouten in hun aangiftebiljet hebben gemaakt. Deze straf bedraagt een bepaald percentage van het gefraudeerde bedrag. Welk percentage dat is, hangt af van de ernst van de ontduiking. De maximale boete is 100 procent.

In de instructie wordt voor het bepalen van dit percentage een aantal gradaties in schuld gegeven. Het meest ernstig is een geval van pure opzet. Minder zwaar wordt volgens de staatssecretaris getild aan een 'meer ernstige vorm van grove schuld' en een 'normaal geval van grove schuld'.

Deze al jaren gehanteerde onderverdeling deugt niet volgens de Hoge Raad. Tussen grove schuld en opzet bestaat geen tussenvorm van een meer ernstige vorm van grove schuld. Dit betekent dat iedereen die op grond van deze schuldgradatie beboet is, bij de rechter de boete kan aanvechten. De rechter zal de boete verlagen tot het bedrag dat behoort bij 'een normaal geval van grove schuld'. Men is evenwel verplicht zo'n zaak binnen twee maanden nadat de inspecteur de boete heeft opgelegd, bij de rechter aanhangig te maken. Voor veel belastingbetalers kan hierdoor de boete met duizenden guldens worden teruggebracht. In het berechte geval ging het om bijna 50.000 gulden. (Fiscafax)