Amerika op zoek naar nieuwe zelf-definitie

Op de avond van 1 augustus Amerikaanse tijd, even na achten, spoedden enkele tientallen ambtenaren zich onverwachts naar hun kantoren. Eerste gegevens over de opmars van Iraakse tankcolonnes sijpelden binnen op het State Department, op het Pentagon en in het Witte Huis zelf. Minister Baker van buitenlandse zaken was ver weg in de Sovjet-Unie, de nationale veiligheidsadviseur Scowcroft en de minister van defensie Cheney waren wel in de stad. President George Bush, dit tweetal en de machtige voorzitter van de militaire chefs van staven, Colin Powell, kwamen in amper 48 uur tot het besluit om de grootste militaire operatie sinds Vietnam te lanceren.

Cheney vloog naar Saoedi-Arabie en masseerde de sjeiks voldoende om hen van de dreiging te overtuigen. Saddam Hussein hielp een handje door doldrieste verklaringen en een korte onbereikbaarheid voor Saoedische telefoontjes. In Moskou dekte minister Baker zich op 3 augustus bij de Sovjet-Unie in en begeleid en aangemoedigd door de wereldopinie en de Veiligheidsraad sprong Amerika in de bres.

In een klap had zich midden in het nog academische debat over de rol van Amerika na het einde van de Koude Oorlog een voldongen feit genesteld. In een klap ook was een einde gemaakt aan knagende zelf-twijfel en vrijages met Amerikaans verval. In zekere zin luchtte het op: De Verenigde Staten leidden de vrije wereld weer. Een ambtenaar die zich recentelijk nog licht geprikkeld had gemengd in het nationale decline-debat het dezer dagen formuleerde het zo: 'Sinds 2 augustus is het weer duidelijk. Wij zijn de enige echte supermogendheid door onze unieke combinatie van mensen, middelen, militaire capaciteiten en besluitvaardigheid'. En Tom McNaughter, schrijver van Arms and Oil en gehuisvest in het Brookings Institute zegt: Wij, Amerikanen, scheppen de precedenten voor behoorlijk gedrag van staten na de Koude Oorlog voor de gehele wereld. Daar heeft onze president gelijk in'.

Veelkleurig

Het beeld van Washington in de milde herfst van 1990 is veelkleurig. De president stuntelt in de budgettaire lijdensweg als een volleerde Jimmy Carter. Bezoekers haasten zich nog snel langs de Malevitsj-expositie, want de overburen op Capitol Hill dreigen met nieuwe blokkades. zodat musea en ministeries in de stad de volgende dag misschien weer allemaal hun poorten sluiten. Een paar blokken verder hebben studenten een symposium belegd met als thema: Het verval van Amerika.

President Bush heeft met zijn Koeweit-koers zijn buitenlands-politieke hoofdexamen bijna foutloos afgelegd. Met voldoende unilateralisme om daadkrachtig te zijn en voldoende overleg en geduld om een wereldwijde coalitie te smeden heeft het Witte Huis tot nu toe Saddam Hussein geconfronteerd met de misrekening van zijn leven. Het respect voor deze vaardigheid van Bush is in Amerika groot, ook al is de oorlogseuforie voorbij en moet de president derhalve wat voorzichtiger worden. En het Amerikaanse zelfvertrouwen heeft met de operatie, voorlopig althans, een opknapbeurt gekregen. Niemand hoeft meer te sneren dat Amerikaanse chefs van staven in een volgend millennium leiding zullen geven aan een veredelde kustwacht, Amerika heeft als agent van de nieuwe wereldorde met 220.000 man in de woestijn vooralsnog het tegendeel bewezen.

Op het podium zitten 'declinists' en 'revivalists', zoals de studenten het in hun pamflet gemakshalve hebben samengevat. Onder de declinists zit nota bene de directeur van het wetenschappelijke instituut van het State Department, wiens gecompliceerde betoog erop neerkomt dat Amerikaanse idealen inmiddels gemeengoed worden, waardoor ze ophouden Amerikaanse idealen te zijn. Dienoverkomstig vermindert het Amerikaanse voortrekkerschap.

De opvattingen van de academische declinists zijn bekend: De Verenigde Staten kunnen in een wereld waar economische krachtsverhoudingen prominenter worden dan kernwapens niet langer onbetwist leider zijn. Spelen zij die rol toch dan begaan zij 'imperial overstretch', zoals Paul Kennedy twee jaar geleden betoogde. De profeten van het verval zien een crisis van nationale wislkracht met gelijktijdige zelfoverschatting aan het werk. In tien jaar tijds is het land van grootste crediteur tot grootste debiteur in de wereld geworden. De politieke wil om deze ontwikkeling te keren is tegelijkertijd beperkt en de laatste begrotingsaffaire etaleerde eerder een gevoel van machteloosheid dan van urgentie bij alle betrokkenen.

Van een stapje-terug-voor-Amerika van declinists maken moderne isolationisten een reuzesprong. We moeten 'onze jongens naar huis halen' en ophouden met 'al dat gedoe over democratie in de wereld' poneert Pat Buchanan, publicist, ooit rechterhand van Reagan en soms flirtend met een conservatieve kandidatuur voor het presidentschap.

Leidende rol

Maar een meerderheid in Amerika ziet voorlopig toch een blijvende 'Number One' rol voor de Verenigde Staten in de wereld en volgen de redenering van de Harvard-politicoloog (en Carter-adviseur) Joseph Nye in zijn recente boek Bound To Lead. De VS hebben volgens Nye in zijn weinig fraaie proza de taak en de plicht 'het systeem van transnationale interdependentie' te regelen. De VS hebben hun aandeel van 23 procent aan het brutto wereldprodukt al drie decennia constant gehouden en dus is er van noodzakelijke neergang geen sprake. Bovendien, aldus Nye, wie zou er anders in de wereld leiding moeten geven? Japan mist de capaciteit en zou met een mondiale leidersrol alleen al in Azie slechts vrees, verbittering en rivaliteit provoceren. Europa mist de consensus voor snelle, berekenbare besluitvorming, zolang zich niet een van de Europese landen als hegemonist heeft gevestigd. En omdat voor die positie alleen Duitsland in aanmerking komt, is ook dat te ingewikkeld en voorlopig irreeel. Kortom, Bound To Lead voor de Verenigde Staten.

Universele natie

Ben Wattenberg van de conservatieve denktank American Enterprise Institute heeft een opmerkelijk boek over het onderwerp in de etalages van de Oostkust liggen, The First Universal Nation. Hij is een amusante vijftiger, de eerste echte 'revivalist', en zet alles op zijn kop: 'Het gaat fantastisch met Amerika', zegt hij, 'we hebben een robuuste economie (de perikelen een paar blokken verder wuift hij als tijdelijke kleinigheden weg - B. K.) en na de ondergang van de Sovjet-Unie zijn we de enige echte supermogendheid in de wereld. Nog belangrijker is onze culturele uniciteit en kracht. Dankzij immigratie uit alle werelddelen zijn wij de eerste echte universele natie ter wereld. Dat biedt geweldige energie.' Wattenberg gaat verder: 'In de toekomst is het land dat de beste mondiale democratische cultuur zal scheppen de Number One en dat zijn wij dus. Alleen de Amerikaanse democratische cultuur heeft benen, alleen Amerikanen hebben de zendingsdrang om een wereldcultuur te realiseren. Onthoud over ons streven dit: Een unipolaire wereld is een goed idee mits Amerika de uni is.'

Wattenberg loopt erg ver voor de colonne uit, zo'n type is het ook. Maar het idee dat Amerika de wereld blijft leiden, wint het van de Fort America-denkers. Want de vage retoriek van het State Department over de noodzaak van 'Amerikaanse presentie' in Europa om de 'stabiliteit' hier te garanderen mag dan geleidelijk aan minder wortels hebben in de Amerikaanse samenleving, toch druist een complete aftocht in tegen de Amerikaanse geest. Ex-neo-conservatief Irving Kristol: 'Dat zou zoiets betekenen als van Amerikanen verlangen om onverschillig te blijven jegens Amerikaanse atleten op de Olympische Spelen. Dat is psychologisch onvoorstelbaar. De NAVO mag dan een anachronisme zijn en dat geloof ik maar we staan niet op het punt ons te isoleren van onze vrienden in West-Europa, de Stille Oceaan of het Midden-Oosten.' (Kristol in het herfstnummer van National Interest).

De politiek-militaire klaroenstoot van president Bush tegen Irak krijgt tegen de achtergrond van zo'n debat een bijzondere bijklank. Daar is enerzijds de idee dat de Verenigde Staten niet meer de positie hebben om als onbetwiste leider te opereren. Bondgenoten kunnen en moeten meer doen dan nu het geval is en Washington houdt met hen rekening, zo valt in het State Department te beluisteren. Vooral het Congres hamert op lastenverdeling: meer yens, meer D-marken en meer fysieke solidariteit.

Maar de suggestie van werkelijke gezamenlijkheid in de Golf vindt in de Amerikaanse hoofdstad weinig gehoor. Dat botst met het leiderschap. In militaire kringen is men ervan overtuigd dat geen enkel ander land dan de Verenigde Staten tot zo'n operatie in staat is. Het militaire commando ziet met uiteenlopende nationaliteiten in de woestijn slechts problemen in de bevelsstructuur en ook verder gaat elke suggestie van gedeelde verantwoordelijkheid ieders voorstellingsvermogen te boven.

Is het precedent van de Operatie Plain Desert daarmee ook werkelijk een precedent? Duiken straks ook Amerikaanse troepen op als Kasjmir in brand vliegt? Zo eenvoudig is het niet, al zien sommigen in Washington de rol van politie-agent bij een nieuwe wereldorde nu voor het Pentagon veilig gesteld.

Koude Oorlog

Veertig jaar Koude Oorlog zijn niet van de ene op de andere dag geschiedenis. Daarvoor heeft die oorlog te lang gewerkt als een systeem waarin de wereld werd beschouwd als een vastgebakken tableau van vijanden en de strijd als een morele zaak waarvoor alles mocht wijken. De tijd voordat de Sovjet-Unie zich als bedreigende rivaal had gemeld, maakt daarom nieuwsgierig. Veel belangstelling is er dezer dagen aan de oostkust voor Godfrey Hodgsons nieuwe Stimson-biografie, getiteld The Colonel. Henry Stimson was vanaf het begin tot het midden van deze eeuw een prominent man als presidentieel adviseur en minister. Zijn politieke leven vormt een brug tussen president Theodore Roosevelt en Franklin D. Roosevelt, tussen romantisch nationalisme en moreel universalisme. Ergens tussen deze twee polen lijkt het Amerika van na de Koude Oorlog op zoek naar een nieuwe zelf-definitie.

Die ene Koeweitse klap heeft aan dat zoeken geen einde gemaakt. Bound To Lead is weliswaar de leuze van een overgrote meerderheid van de politieke en academische wereld van dit moment, maar de vraag waarheen laat zij onverlet en de stemming is, gezien de ongewisheid van het Saoedische avontuur en Bush' budgettaire machteloosheid, aan schommelingen onderhevig.