Aantal voorstanders van bouwsparen groeit snel

DEN HAAG, 1 nov. In hoog tempo groeit in Nederland het aantal voorstanders van bouwsparen, een spaarsysteem dat gericht is op de aankoop van een huis en dat via fiscale voordelen aantrekkelijk wordt gemaakt. De Nederlandse Spaarbankbond heeft het Fiscaal-Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit een onderzoek laten doen. De uitkomst, gisteren op een symposium in Utrecht gepresenteerd: bouwsparen kan een interessante bijdrage leveren aan de bevordering van het eigen-woningbezit.

De Nederlandse Vereniging van Makelaars legde een soortgelijke conclusie deze week bij de staatssecretarissen Heerma (volkshuisvesting) en Van Amelsvoort (financien) op tafel. De Nederlandse Vereniging van Bouwondernemers pleitte deze maand voor bouwsparen. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer oordeelde dit voorjaar positief over het systeem, na een onderzoek door een commissie onder leiding van oud-staatssecretaris Schaefer. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten toonde zich er al een voorstander van in haar 'Schets van de volkshuisvesting tot 2000'.

Deze opsomming zou tot de conclusie kunnen leiden dat een lobby-pro-bouwsparen is opgericht, maar daar staat tegenover dat er tussen de diverse voorstellen nogal wat licht zit. Zo wil de PvdA het bouwsparen specifiek richten op de lagere-inkomensgroepen en de spaarder belonen met een overheidspremie, zoals premies voor koopwoningen ook nu deze groep zijn voorbehouden. In het rapport van het Fiscaal-Economisch Instituut wordt daarentegen opgemerkt dat het systeem minder geschikt is voor de lagere inkomens, omdat deze categorie het minst tot sparen in staat zal zijn.

Of het bouwsparen in Nederland zijn intrede doet, hangt niet in de laatste plaats af van staatssecretaris Heerma van volkshuisvesting. Juist dezer dagen steekt hij hierover zijn licht op bij zijn Duitse collega Echternach. In Duitsland wordt al sinds het begin van deze eeuw aan bouwsparen gedaan, het systeem is er met diverse fiscale voordelen omgeven. Speciale spaarbanken , Bausparkassen, hebben ruim drie miljoen bouwspaarleningen lopen.

Voor het bouwsparen zijn vele varianten bedacht, maar ze komen er steeds op neer dat de koper van een huis eerst gedurende een aantal jaren eigen geld bijeenspaart, dat vastzet op een rekening tegen een hogere spaarrente dan gebruikelijk en dat hij over de rente geen inkomensbelasting hoeft te betalen. In sommige varianten is bovendien de jaarlijkse spaarsom zelf ook fiscaal aftrekbaar.

Bouwsparen zet de koper aan eigen geld in te brengen bij de verwerving van een huis. De hypotheeklening die hij vervolgens nog afsluit, zal dus lager zijn en daarmee ook de fiscale aftrek van hypotheekrente. Daarmee wordt de fiscale inkomensderving die bouwsparen de overheid kost, gecompenseerd. Bovendien wordt het risico voor gemeenten, die veelal garant staan voor de aflossing van de hypotheekleningen kleiner. Ook dat is een interessant gegeven, nu die garantie sommige gemeenten fikse financiele tegenvallers heeft bezorgd. In de toelichting op zijn begroting voor volgend jaar heeft Heerma laten weten dat gemeentegarantie als 'onmisbaar instrument' zal worden gehandhaafd, maar volgende week is de publikatie van een ambtelijk rapport te verwachten waarin aanbevelingen worden gedaan de risico's voor de gemeenten te verkleinen.

In het huidige fiscale regime geldt dat de aftrek van hypotheekrente gunstiger uitpakt, naarmate het inkomen hoger is. Waaruit meteen volgt dat bouwsparen onder de heersende omstandigheden voor de hogere-inkomensgroepen vooralsnog een weinig aanlokkelijk perspectief is. In het Erasmus-rapport wordt dan ook voorgesteld het systeem toe te spitsen op drie groepen: goed opgeleide jongeren, vooral tweeverdieners die nog geen eigen woning hebben, huurders die relatief een hoog inkomen en een lage huur hebben en ouders die voor hun kinderen een woning willen bijeensparen. Ook opperen de onderzoekers de mogelijkheid bestaande bedrijfspremiespaarregelingen en ambtenarenspaarregelingen om te zetten in bouwspaarrekeningen.

Maar de vraag is of de omstandigheden blijven zoals ze nu zijn. De discussie over de aftrekbaarheid van hypotheekrente, die waarschijnlijk nooit echt zal eindigen, laait alweer op. In de CDA-fractie in de Tweede Kamer zijn onlangs hardop vraagtekens gezet bij de onbeperktheid van die aftrek. Dat zijn geluiden die bij de PvdA, zij het niet bij iedereen in die fractie, welkom zijn. Naarmate de aftrek van hypotheekrente aan grenzen wordt gebonden, wordt een systeem als bouwsparen aantrekkelijker.

Met name de fiscalisten in de PvdA-fractie zullen erop wijzen dat alle rente in het Nederlandse belastingsysteem aftrekbaar is, dus waarom een uitzondering gemaakt voor hypotheekrente? Dat doet ook de Rotterdamse hoogleraar fiscale economie prof.dr. L. G. M. Stevens, een van de auteurs van het rapport dat zijn instituut in opdracht van de Spaarbankbond heeft vervaardigd. Hij ziet meer in een verhoging van het huurwaardeforfait, het bedrag dat eigenaren over de waarde van hun huis aan de fiscus afdragen. Stevens acht een verhoging gerechtvaardigd voorzover de waarde van een huis meer dan 120.000 gulden bedraagt. Is het huis meer dan 120.000 gulden waard, redeneert Stevens, dan verschaft het niet alleen woongenot, maar heeft het ook een beleggingsfunctie.

Het zijn redeneringen die een rol zullen spelen wanneer de staatssecretarissen Van Amelsvoort en Heerma een nieuw voorstel aan het parlement zullen doen tot verhoging van het huurwaardeforfait, althans tot het invoeren van een mechanisme waardoor het forfait bijvoorbeeld elke drie jaar wordt aangepast. Vorig jaar strandde een dergelijk voorstel in de Eerste Kamer.

De rechtvaardiging voor een hoger huurwaardeforfait wordt voor een belangrijk deel gevonden in de stijging van de huren die ook de komende jaren zal doorgaan. Mogelijk zelfs in hoger tempo dan in de Nota Volkshuisvesting van Heerma, die dit jaar door de Tweede Kamer is aanvaard, was voorzien. Nu het kabinet het komend voorjaar voor ingrijpende ingrepen in de staatsuitgaven staat, zal ongetwijfeld een begerig oog uitgaan naar de volkshuivestingssubsidies, met name ook de objectsubsidies voor huurwoningen. Daarop bezuinigen leidt automatisch tot extra huurverhogingen. En die zullen politiek alleen haalbaar zijn als ook de huiseigenaren moeten inleveren. Een regering die tegelijk zegt het eigen-woningbezit te willen stimuleren, zal in die situatie met nog meer belangstelling naar systemen als bouwsparen kijken.